meubel betekenis & definitie

meubel - Zelfstandignaamwoord
1. een voorwerp dat behoort tot de inrichting van een kamer, zoals een bank, stoel, tafel, kast, bed et cetera
Er stonden zo veel meubels in de winkel dat hij niet wist welke hij moest uitzoeken.

meubel - Werkwoord
1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van meubelen
♢ Ik meubel
2. gebiedende wijs van meubelen
meubel!
3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van meubelen
meubel je?

Synoniemen
meubelstuk

Verwante begrippen
bed, kast, stoel, tafel, meubileren