Wat is de betekenis van lazeren?

2020
2021-09-27
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

lazeren

Het begrip lazeren heeft 2 verschillende betekenissen: 1) vallen. plotseling en met veel kracht ten val komen of neerstorten; plotseling en met geweld vallen. 2) gooien. krachtig en tamelijk onbeheerst werpen; gooien, smijten.

Lees verder
2020
2021-09-27
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

lazeren

1) (19e eeuw) (inf.) gooien, smijten. Reeds bij A. Opprel (Het dialect van Oud-Beierland. 1896). Syn.: besjoeren*; bonjouren*; donderen*; donderstenen*; donderstralen*; flatsen*; flikkeren*; flikkerstralen*; jensen (jenzen)*; jetsen*; jonassen*; kankeren*; ketsen*; keutelen*; kicken*; kieperen*; knikkeren*; kukelen*; kwakken*; lazerstralen*; miete...

Lees verder
2019
2021-09-27
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

lazeren

lazeren - Werkwoord 1. ergatief, (informeel) vallen Hij maakte een misstap en lazerde van het perron. 2. (informeel) gooien, smijten Synoniemen [1] donderen, duvelen, flikkeren, sodemieteren

Lees verder
1997
2021-09-27
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

lazeren

De oorspronkelijke eedformule God moge mij lazeren als ik de waarheid niet spreek is in het hedendaags Nederlands bekend als verwensing om woede, verwondering e.d. uit te drukken. De oorspronkelijke betekenis van lazeren is ‘iemand met melaatsheid treffen’. Stoett (1943: nr. 197) vermeldt ook nog god zal hem lazeren!...

Lees verder
1973
2021-09-27
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

lazeren

(lazerde, heeft en is gelazerd), I. (overg.), (plat) 1. gooien, smijten: hij lazerde alles door de ruiten; II. (onverg.), 1. vallen: hij lazerde van de trap; 2. zeuren, zaniken: lig toch niet zo te lazeren.

Lees verder
1950
2021-09-27
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Lazeren

(lazerde, heeft gelazerd), (plat) 1. werpen, smijten: hij lazerde alles door de ruiten; 2. vallen: hij lazerde van de trap; 3. zeuren, zaniken: lig toch niet te lazeren.

Lees verder
1919
2021-09-27
uitdrukkingen

Woorden en uitdrukkingen verklaard

Lazeren

evenals bliksemen, donderen, mieteren enz., een ruwe uitdrukking voor gooien en vallen, en ook zaniken, zeuren ; iets tegen den grond lazeren; leg niet te lazeren. Daarvan o.a. belazeren (voor den gek houden), belazerd (voor den gek gehouden, en ook gek), oplazer (= oplawaai, slag, stomp), lazerbol, lazerhond. Alles in niet altijd even logisch verb...

Lees verder
1898
2021-09-27
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Lazeren

Lazeren (lazerde, heeft gelazerd), (plat) werpen, smijten hij lazerde alles door de ruiten; iem. de deur uit lazeren; — vallen: hij lazerde van de trap; — zeuren, zaniken lig toch niet te lazeren.

Lees verder