Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

Gepubliceerd op 24-11-2020

lazeren

betekenis & definitie

1) (19e eeuw) (inf.) gooien, smijten. Reeds bij A. Opprel (Het dialect van Oud-Beierland. 1896). Syn.: besjoeren*; bonjouren*; donderen*; donderstenen*; donderstralen*; flatsen*; flikkeren*; flikkerstralen*; jensen (jenzen)*; jetsen*; jonassen*; kankeren*; ketsen*; keutelen*; kicken*; kieperen*; knikkeren*; kukelen*; kwakken*; lazerstralen*; mieteren*; peunen*; pleuren*; rotten*; sodeflikkeren*; sodehannesen*; sodekankeren*; sodekwakken*; sodemieteren*; sodemirakelen*; tiefen*; tiefstralen*.

• Overboord gelazerd, wis en warachtig neef, met een seizing om je pooten en temet verzoopen. (Jef Last: Zuiderzee. 1934)
• 'Lazer hem in de kelder,' zei Kees. (Rinus Ferdinandusse: Naakt over de schutting. 1966)
• Ben je uit een café gelazerd? (Rinus Ferdinandusse: Zij droeg die nacht een paars corset. 1967)
• „Omdat ze hopen dat je barst." „Hoe dan?" „Dat hopen ze," zei Arie „en dan wachten ze tot je er uit lazert. Daar staan ze voor aan de ramen." (A. Koolhaas: Vergeet niet de leeuwen te aaien en andere dierenverhalen. 1976)
• Nee, meestal werd ik geconfronteerd met een oogkleppenpapa die altijd aan het werk was, een parelteef in broekrok die de moeder uithing en het vele geld over de balk lazerde … (Youp van ’t Hek: Rijke Meiden. 1991)
• Laat God ze in een diep dal lazeren, of met hun decadente reet op een rotspunt spietsen, dacht Peter. (Henry Sepers: Het feest van de mollen. 1993)

2) (1922) (inf.) kletsen; zeuren. Verwant aan lazarusklep. De uitdrukking verwijst dan ook naar het lawaai dat melaatsen vroeger met zo'n klaphout produceerden.

• Lig toch niet te lazeren. (Gerard Nicolaas Adriaan Ketting: Bijdrage tot de geschiedenis van de lepra in Nederland. 1922)

3) (1906) (inf.) vallen, tuimelen. 'Lazer dood': platte verwensing. Vgl. nog: aflazeren*; afmirakelen*; donderen*; donderstralen*; flatsen*; flikkeren*; joekelen*; kaaien*; kajemen*; kieperen*; kukelen*; kwakken*; lazeren*; mieteren*; mirakelen*; op zijn plaat* gaan; pleuren*; salamanderen*.

• Lazer jij dood voor mijn part! (Herman Heijermans: Diamantstad. Tweede druk. 1906)
• Als hij naar beneden lazert, kan hij juffrouw Bakker ook niet van dienst zijn. (Maurits Dekker: Amsterdam. 1931)
• En anpakke tot je er bij neerlazert.... (Willem van Iependaal: Kriebeltjes hoogtepunt. 1937)
• Je lazert zowat over de muur.... (Jan de Hartog: Hollands Glorie. 1940)
• Daar was anders helemaal geen reden voor, zei Herman bits, want ik lazerde van de rotsen af. (Jan Wolkers: Serpentina's petticoat. 1961)
• Ben je ook zo bang dat-ie een keer naar beneden lazert, fluisterde hij haar in het oor. (Heere Heeresma: Een dagje naar het strand. 1962)
• Dat je aan een aantal figuren de pest hebt. Dat je schreeuwt. Dat je van een trap lazert. (Jaap Romijn: Vandaag: nieuw werk van Nederlandse, Vlaamse en Zuid-Afrikaanse schrijvers, Nummer 12. 1967)
• Op een keer, nog in 10B, lazerde ik met met mijn kop tegen een arduinen hoeksteen... (Jef Geeraerts: Gangreen. Volume 3. 1975)
• Ja, dwars door de trap gelazerd, zeg. (Jan Wolkers: Brandende liefde. 1981)
• Als wij weggaan, lazert de hele boel weer in elkaar. (Cees Nooteboom: Waar je gevallen bent, blijf je. 1983)
• Laatst las ik ergens dat de Hollandse huismus uitsterft. Nou, dat komt dan niet omdat ze en masse uit de dakgoot lazeren. (Vrij Nederland, 01/08/1998)

4) (1928) (inf.) ertoe doen; schelen. 'Dat lazert niet': dat geeft niet. Syn.: dat dondert niet.

• Nou ja, dat zeg ik nou niet op jou... maar je zal es zien hoeveel d'r volhouen, as ze eenmaal op die school zijn. Afijn, wat lazert 'et ook: d'r zijn genoeg rotkerels onder de officieren: laat er ook es wat ménsen bij zijn, ken nooit geen kwaad! (A.M. de Jong: Frank van Wezels roemruchte jaren. 1928)
• ‘Lazert niet,’ riep Sjeek. (Willem van Iependaal: Polletje Piekhaar. 1935)
• Wat was die mop over een kikker die ik onthouden wou?... Lazert niet... (Simon Vestdijk: Meneer Visser's hellevaart. 1936)
• En of het nou van die schooier is of niet, dat lazert niks! (Willem van Iependaal: De dans om de rinkelbom. 1939)
• Nou ja, de laatste tijd heb ik 'r ook niet veel gehad. Maar wat lazert dat ook. (Simon Vestdijk: Op afbetaling. 1952)
• Nee, da's een andere kant uit. - Nou ja, dat lazert ook niet. (A.M. de Jong: Merijntje Gijzens jonge jaren. 1957)
• Of een zwart paard, dat lazerde niet. (Simon Vestdijk: De Ziener. 1967)
• Nee, 't was - nou ja, wat lazert 't, man, maar wat hebben we daar stil van zitten te genieten, mijn vrouw en ik. (Simon Carmiggelt: Morgen zien we wel weer. 1967)
• Toch een beste vent, hij zal nooit tegen je fluisteren zoals m’n oude chef, wat lazert het nou wie z’n botten jij in dat perkje van de Volharding legt. (Maarten ’t Hart: De aansprekers. 1979)