Wat is de betekenis van langzaam?

2019
2022-01-24
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

langzaam

langzaam - Bijvoeglijk naamwoord 1. met weinig snelheid Die auto was de langzaamste auto die ik ooit gezien heb. 2. zonder snelle ontwikkeling Langzaam aan werd het dan toch nog beter. langzaam - Bijwoord 1. met een geringe snelh...

Lees verder
2018
2022-01-24
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

langzaam

langzaam - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: lang-zaam 1. in een laag tempo ♢ hij werkt erg langzaam 1. langzaam maar zeker leerde hij lezen [het ging wel langzaam maar het lukte toch] ...

Lees verder
1973
2022-01-24
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

langzaam

bn. en bw. (langzamer, -st), 1. niet vlug, traag: dat werk vordert maar -; eten, spreken; (spr.) langzaam gaat zeker, wil men zijn doel bereiken, dan moet men niet met overhaasting te werk gaan; vandaar: haast u langzaam maar zeker; 2. met lage snelheid: rijden, varen; een langzaam schip, dat niet snel kan varen; in de vergr. tr. ter aanduiding va...

Lees verder
1952
2022-01-24
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Langzaam

adj. & adv., stadich, starich langsum, têd, sunich, loom, traech; zeer —, oerstadich, -langsum, op syn alve en tritichst; tegaan (van klok) sakje, forlieze; iem. ietsen met nadruk zeggen, immen de wurden tatelle.

1950
2022-01-24
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Langzaam

bn. bw. (...zamer, -st), 1. niet schielijk, traag: dat werk vordert maar langzaam; langzaam, eten, spreken; — (spr.) langzaam gaat zeker, wil men zijn doel bereiken, dan moet men niet met overhaasting te werk gaan; vandaar: haast u langzaam. 2. met geringe snelheid: langzaam rijden, varen; — een langzaam s...

Lees verder
1937
2022-01-24
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

langzaam

bn., bw.; langzamer, langzaamst (niet vlug; traag): een os is langzaam in zijn lopen; een langzame dood sterven, b.v. door tering; die bediende is mij te langzaam; langzaam maar (of: gaat) zeker; spreekw. Haast u langzaam, (Lat. Festina lente), overleg bij uw werk; zie lijntje.

Lees verder
1898
2022-01-24
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Langzaam

Langzaam bn. bw. (...zamer, -st), niet schielijk, traag: dat werk vordert maar langzaam; langzaam eten, spreken; — (spr.) langzaam gaat zeker, wil men zijn doel bereiken, dan moet men niet met overhaasting te werk gaan; vandaar: haast u langzaam. LANGZAAMHEID, v.

Lees verder
1898
2022-01-24
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Langzaam

zie Log.