Wat is de betekenis van kruisen?

2020
2021-10-19
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

kruisen

(18e eeuw) (homotaal) op de versiertoer gaan; seksueel contact zoeken (meestal in de buurt van urinoirs). Het Engelse woord cruising is afgeleid van het Nederlandse kruysen. Zie ook: kruisbaan*. • Naast de lolhuyzen was het 'kruysen' (contactleggen) geliefd, met name op de Vijverberg … (Rob Tielman: Homoseksualiteit in Nederland: studie...

Lees verder
2019
2021-10-19
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

kruisen

kruisen - Werkwoord 1. (intr) zich kruiselings heen en weer bewegen 2. (intr) (scheepvaart) laveren 3. (intr) zich verplaatsen met gewone snelheid 4. aan een kruis slaan, kruisigen 5. (ov) kruiselings plaatsen 6. (ov) bevruchting laten plaatsvinden tussen exemplaren van verschillend soort of ras kruisen - Zelfstandignaamwoo...

Lees verder
2018
2021-10-19
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

kruisen

kruisen - regelmatig werkwoord uitspraak: krui-sen 1. er een kruis mee maken ♢ deze weg kruist de spoorweg 1. elkaar gekruist hebben [tegelijk naar elkaar onderweg geweest zijn] ...

Lees verder
2016
2021-10-19
Prorail

Begrippenlijst Prorail

Kruisen

Kruisen is het passeren van twee elkaar tegemoet rijdende treinen op één spoor, dat plaatsvindt doordat één van beide treinen gebruikmaakt van een ter plekke beschikbaar nevenspoor.

2008
2021-10-19
Atletiek- en turnwoordenboek

Atletiek- en turnwoordenboek door Jan Luitzen

kruisen

(ov ww; kruiste; h. gekruist) SP - lichaamsdelen (bv. armen, benen) zo bewegen dat het ene onder een hoek voor, achter, op of tegen het andere gelijknamige lichaamsdeel wordt gebracht, er dus een kruis mee vormt.

1973
2021-10-19
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

kruisen

(kruiste, heeft gekruist), I. (overg.) 1. aan het kruis hechten, kruisigen: Jezus de Gekruiste; (bijbels) verwerpen, doden: het vlees —; 2. (thans meestal zich bekruisen), het teken des kruises maken; 3. een kruis laten maken, kruiselings plaatsen, zetten, leggen enz.: de armen over de borst —; met gekruiste armen toezien, werkeloos;...

Lees verder
1971
2021-10-19
Watersport A-Z

Watersport A-Z, Kramer (1971)

Kruisen

Kruisen - →Laveren.

1952
2021-10-19
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Kruisen

v., kruse.

1950
2021-10-19
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Kruisen

(kruiste, heeft gekruist), 1. (vero., nog Zuidn. en hog.st.) aan het kruis hechten, kruisigen: Jezus de Gekruiste; — (bijb.) verwerpen, doden: het vlees kruisen; — (Zuidn.) kwellen, verdriet doen: haar gedrag kruist mij; met een boze vrouw gekruist zijn; 2. (thans meest zich kruis en), het teken des k...

Lees verder
1949
2021-10-19
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Kruisen

(1) (bloembollen). Over de schijf worden enige sneden gemaakt, loodrecht op elkaar; langs die sneden ontstaan nieuwe bollen; (2) in de planten- en dierenwereld het telen van nakomelingen uit ouders van verschillende meest nauw verwante — soorten; (3) (wisk.) wordt gezegd van rechten als ze elkaar in de ruimte passeren. Er treedt dus geen sni...

Lees verder
1933
2021-10-19
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Kruisen

1° (Meetk.) Twee rechte lijnen in de ruimte kruisen elkaar, als er geen plat vlak is, dat beide bevat. Is er wel zoo’n vlak, dan snijden de rechten elkaar of loopen zij evenwijdig. 2° (Scheepv.) ➝ Zeilen.

Lees verder
1898
2021-10-19
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Kruisen

KRUISEN, (kruiste, heeft gekruist), een kruis maken, kruiswijze over elkaar doen gaan de degens kruisen: de armen over de borst kruisen; de spoorbaan kruist hier den straatweg; — kruisende lijnen, rechte lijnen die niet evenwijdig loopen en elkander ook niet snijden; —elkander kruisen, elkander ontmoeten, elkander kruiswijze voorbijgaan...

Lees verder