Wat is de betekenis van Knok?

2020
2021-09-23
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

knok

(1938) (Barg.) rijksdaalder. • Voorbeelden uit het Bargoens zijn bikken voor eten, link voor vals. Uit de vaktaal der dieven: talloze woorden voor agent, b.v. siene, smeris, klabak; jatten voor stelen; bajes, bazaar, hogeschool, hotel Bellevue, paraplu voor gevangenis. Uit het jargon: olf (een), beis (twee), kimmel (drie), dollard (vier). Uit...

Lees verder
2019
2021-09-23
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

knok

knok - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knokken ♢ Ik knok 2. gebiedende wijs van knokken knok! 3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knokken knok je?

Lees verder
2017
2021-09-23
Marc De Coster

Auteur van o.a. Het Groot Scheldwoordenboek

Knok

Knok -beenuitwas, benig aangroeisel.

1997
2021-09-23
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

knok

Een vijftienjarige Leidse scholiere stuurde mij de volgende verwensing: krijg knok! Knok blijkt een letterwoord te zijn, want zij verklaart dat met keel-, neus- en oorkanker. Overbodig te zeggen dat de verwensing op grote woede en minachting duidt. De betekenis is ‘donder op’. zie kanker.

Lees verder
1993
2021-09-23
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Knok

bot

1955
2021-09-23
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Knok

(Barg.) slag: knokken: vechten, slaan, stukslaan

1949
2021-09-23
Boevenjargon

Geschreven door Professor Henry Roskam

knok

slag; ook: slaag. Dat is er een, die je knok kan geven. Zij was bang, dat zij knok kreeg van mijn niese.

Lees verder
1898
2021-09-23
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Knok

m. alleen in ’t meerv. (-ken), been in het lichaam; sterk van knokken zijn; iem. de knokken stuk slaan; zoo mager zijn dat de knokken uitsteken.