Wat is de betekenis van idioot?

2019
2021-06-24
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

idioot

idioot - Bijvoeglijk naamwoord 1. (medisch) zwakzinnig in de hoogste graad Daar woont een naar mijn mening idiote man. 2. (pejoratief) dwaas, mal Dat was echt een idiote actie. idioot - Zelfstandignaamwoord 1. (medisch) iemand di...

Lees verder
2018
2021-06-24
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

idioot

idioot - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: i-di-oot 1. heel erg raar ♢ doe niet zo idioot, je kunt me toch wel groeten? 2. met sterk achterblijvende geestelijke ontwikkeling ♢ in dat tehuis wonen...

Lees verder
2010
2021-06-24
Dokterswoordenboek

Ruim 2300 medische begrippen, omschreven door Jannes van Everdingen en Arnoud van den Eerenbeemt

idioot

Met een heel ernstige verstandelijke beperking. De woorden ‘idioot’, ‘imbeciel’ en ‘debiel’ zijn verouderde termen, die de dokter dus niet meer gebruikt. Oorspronkelijk waren idioten mensen die geboren werden met de allerlaagste intelligentie. Daarna, met meer intelligentie, kwam imbecielen en tot slot debielen. Dokters, en zeker ‘artsen voor verst...

Lees verder
2007
2021-06-24
Scheldwoordenboek

Geschreven door Marc de Coster © 2007

idioot

stompzinnig, achterlijk mens; belachelijk persoon; dwaas. In het Middelnederlands betekende het nog ‘onontwikkelde’. In 1599 werd in een kerkelijk voorschrift bepaald dat geen idioten tot het predikambt zouden worden toegelaten ‘tenzij dan dat sij sonderling van God begaeft sijn’. Het Latijnse woord ‘idiota’ slaa...

Lees verder
1994
2021-06-24
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Idioot

[Lat. idiota, Gr. idiootès = iem. die onbedreven is in een kunst of wetenschap, leek, sukkel, stumper, stompzinnige, van idios = eigen, privaat] I zn in ernstige mate geesteszwakke, stompzinnig persoon; domdwaas iem.; II bn dwaas; stompzinnig.

Lees verder
1993
2021-06-24
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Idioot

dwaas; zwakzinnig(e)

1980
2021-06-24
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

Idioot

Het Griekse woord idiotès betekent: ambteloos burger, in tegenstelling tot: bestuurder van de staat. Vandaar dat het ook ging aanduiden: eenvoudig, onwetend mens, leek. Die betekenis vindt men tot in de zeventiende eeuw terug. In 1599 wordt in een kerkelijk voorschrift bepaald, dat geen idioten tot het predikambt zullen worden toegelaten &ls...

Lees verder
1973
2021-06-24
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

idioot

[➝Gr.], I. zn. m. (idioten), stompzinnige; iemand met zwakke hersenen; ook als scheldwoord; II. bn. en bw. (idioter, -st), 1. zwakzinnig: een kind; 2. dwaas, onzinnig, bespottelijk: op idiote wijze; een idiote vraag; — antwoorden, reageren.

Lees verder
1955
2021-06-24
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Idioot

stompzinnige

1954
2021-06-24
Medisch

Eerste Medisch Systematische Ingerichte Encyclopedie

Idioot

zie idiotie.

1952
2021-06-24
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Idioot

s., idioat, healwize(ling), gek.

1950
2021-06-24
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Idioot

(<Fr.-Gr.), I. zn. m. (idioten), stompzinnige ; iem. met een zwak hersengestel, halve krankzinnige ; — ook als scheldwoord; II bn. bw. (idioter, -st), 1. zwakzinnig: een idioot kind; 2. dwaas, onzinnig, bespottelijk : op idiote wijze-; een idiote vraag ; wat een idiote veronderstelling is dat nu !; idioot kijken, vragen, antwoorden.

Lees verder
1948
2021-06-24
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

idioot

1 m. zwak-, stompzinnige; onwetende domkop; 2 aj. stompzinnig; zeer dom, dwaas.

1923
2021-06-24
Uitheemsche geneeskunde termen

dr. H. Pinkhof, 2e druk 1935

Idioot

een lijder aan idiotismus (zie ald.).

1898
2021-06-24
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Idioot

zie Krankzinnig.

1898
2021-06-24
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Idioot

Het begrip idioot heeft 2 verschillende betekenissen: 1. idioot - IDIOOT, m. (idioten), stompzinnige; iem. met een zwak hersengestel, halve krankzinnige. 2. idioot - IDIOOT, bn. bw. (idioter, -st), dwaas, krankzinnig, onzinnig, bespottelijk : op idiote wijze; eene idiote vraag; wat eene idiote veronderstelling is dat nu — idioot kijken, vra...

Lees verder
1870
2021-06-24
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Idioot

Idioot, afgeleid van het Grieksche woord idios (eigen), beteekende oorspronkelijk het individu tegenover den Staat, voorts dengene, die zich niet met staatsaangelegenheden bemoeide en alzoo — daar dit gewoonlijk uit onkunde voortvloeide — den onkundige en onnoozele. Deze laatste beteekenis heeft het woord meerendeels behouden. Immers wij noemen den...

Lees verder
1864
2021-06-24
Beknopt kunstwoordenboek

Beknopt kunstwoordenboek, I.M. Calisch (1864)

idioot

idioot - m. (idioten), halve krankzinnige, stompzinnige, iem. met een zwak hersengestel