idioot betekenis & definitie

stompzinnig, achterlijk mens; belachelijk persoon; dwaas. In het Middelnederlands betekende het nog ‘onontwikkelde’. In 1599 werd in een kerkelijk voorschrift bepaald dat geen idioten tot het predikambt zouden worden toegelaten ‘tenzij dan dat sij sonderling van God begaeft sijn’. Het Latijnse woord ‘idiota’ slaat op een leek, een ondeskundig persoon. Het Griekse idiotès had de onschuldige betekenis van ‘(ambteloos) burger; ongeschoolde; man uit het volk’ en was afgeleid van idios (afzonderlijk, persoonlijk).

Hou je snuit, idioot! (A.M. de Jong, Frank van Wezels roemruchte jaren, 1928)

Je kan niet een beetje knap zijn, wel een beetje dom. Halve genieën heb je niet, wel halve idioten. (Gerrit Komrij, Verzonken boeken, 1986)

Laatst bijgewerkt 16-05-2017