Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

Gepubliceerd op 16-08-2020

hout

betekenis & definitie

(1950, vero.) (Vlaanderen, Barg.) (vaak meerv.) geld.

• Hout. Wordt veel in de meervoudsvorm gebruikt, en wordt uitge sproken: haten.
- Vijf houten, twintig houten = vijf frank, twintig frank. Waarschijnlijk afgeleid van het bolspel, waar er dan spraak is van het winnen met drie houten (drie houten bollen). (Oostvlaamsche Zanten. Mededelingen van de bond der Oostvlaamse folkloristen, september-december 1950)

< >

Studenten en medewerkers van onderwijsinstellingen hebben gratis toegang.

Ensie voor jouw (onderwijs)instelling? Bekijk de mogelijkheden.

✓ Bedankt! We nemen zo snel mogelijk contact met je op.
Er ging iets mis. Probeer het opnieuw.