Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

hout

betekenis & definitie

hout - zelfstandig naamwoord

1. stof waaruit bomen bestaan
deze kast is van hout gemaakt
1. hij is uit het goede hout gesneden
[is eerlijk en betrouwbaar]
2. we moeten op een houtje bijten
[hebben niets meer te eten]
3. dat snijdt geen hout
[dat gaat niet op, dat klopt niet]
4. van dik hout zaagt men planken
[wordt gezegd als iets op een slordige en grove manier wordt aangepakt]
5. van het houtje zijn
[katholiek zijn]
6. het is een slecht houtje dat van het liggen breekt (TB)
[hij kan ook nergens tegen]
7. hoe dichter bij de kansel, hoe rotter het hout (TB)
[priesters deugen niet]
8. een flinke bos hout voor de deur hebben
[grote borsten]
9. uit hetzelfde hout gesneden zijn
[op elkaar lijken]

Algemene uitdrukkingen:
1. op eigen houtje
[zonder overleg met en hulp van anderen]
2. ik snap er geen hout van
[niets]
Zelfstandig naamwoord: hout
het hout
het houtje