Wat is de betekenis van hannes?

2026-01-24
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Hannes

m. (-sen), 1. mansnaam, Johannes; — (zegsw.) mettertijd komt Hannes in het wammes, langzaam gaat zeker; — schele Hannes, iemand die scheel kijkt; 2. lummel, sul; — broddelaar.

Wil je de volledige toegang tot alle 20 resultaten?

Word vriend

Of oriënteer eerst en blader door onze categorieën


Studenten en medewerkers van onderstaande onderwijsinstellingen hebben gratis toegang

Universiteit Leiden University of Amsterdam Universiteit Utrecht
2026-01-24
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

hannes

(19e eeuw) (scheldw.) sullig persoon; lummel. ‘Schele Hannes’ is een scheldwoord voor iemand die scheel ziet maar ook voor een onbetrouwbaar sujet. Hannes is een verkorting van de voornaam Johannes. Zie ook: Lange Hannes. • 't Is en hannes. (G.J. Boekenoogen: De Zaansche volkstaal. 1897) • Stomme hannes! grom...