Wat is de betekenis van handig?

2019
2021-04-11
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

handig

handig - Bijvoeglijk naamwoord 1. goed met de handen om kunnen gaan Mijn handige buurman had de schutting snel geplaatst. 2. gemakkelijk mee om te gaan Ik zal dat handige trucje zeker onthouden! Om 2 uur? Dat kan maa...

Lees verder
2018
2021-04-11
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

handig

handig - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: han-dig 1. snel en met zoveel mogelijk resultaat ♢ mijn man is handig, hij kan alles 2. makkelijk in het gebruik ♢ dit doekje is erg handig, ik gebruik...

Lees verder
1952
2021-04-11
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Handig

adj. & adv., handich, feardich, linich, rêddich, rêdsum, tûk, bihindich; (adj.), byderhant; — zijn, jin rêdde kinne; wat al tezijn, op, by ’t rêd om ’t ôf wêze; hij is erin, it handiget him goed.

1950
2021-04-11
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Handig

bn. bw. (-er, -st), I. bn., 1. goed met de banden terecht kunnende, behendig, vlug, vaardig: een handig kind; zij is veel handiger dan ik gedacht had; handig in of met iets zijn, het met vaardigheid weten te verrichten; 2. zich met vaardigheid van de omstandigheden, van het ogenblik wetende te bedienen: een handig...

Lees verder
1898
2021-04-11
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Handig

HANDIG, bn. bw. (-er, -st), een of meer handen hebbende, inz. in samenst.: eenhandig, tweehandig; — goed met de handen terecht kunnende, behendig, vlug, vaardig: een handig kind; zij is veel handiger dan ik gedacht had; — gemakkelijk te hanteeren, geschikt in het gebruik een handig mes; een handig zeilschip; een handig boek; een handig...

Lees verder
1898
2021-04-11
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Handig

zie Bedreven.