Wat is de betekenis van Hak?

2019
2020-12-05
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

hak

hak - Zelfstandignaamwoord 1. (anatomie) hiel van de voet 2. verhoging onder een schoen bij de hiel 3. (gereedschap) werktuig om de grond mee open te hakken hak - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hakken ♢ Ik hak 2. gebiedende wijs van hakken ...

Lees verder
2018
2020-12-05
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

hak

hak - zelfstandig naamwoord 1. onderste, achterste deel van je schoen ♢ zij loopt altijd op hoge hakken 1. met je hakken over de sloot [op het nippertje] 2. van de hak op de tak...

Lees verder
1998
2020-12-05
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Hak

1. dat heeft niet veel om de -ken,dat heeft niet veel te bet., niet veel om het lijf. 2. de -ken in het zand zetten,zich verzetten. Misschien ontleend aan de soldatentaal? De bond vreest dat de SHB’ers de ‘hakken in het zand’ zullen zetten. (Trouw, 01/10/93)

Lees verder
1985
2020-12-05
Encyclopedie van Noord Brabant

Anton van Oirschot (1985-1986)

HAK

conservenfabriek te Giessen; in de twintiger jaren als kruidenierszaak, annex grossierderij begonnen, waar al spoedig de eigen produktie ter hand werd genomen. Na 1955 uitgegroeid tot de grootste Nederlandse producent van vanaf 1968 alleen in glas geconserveerde groenten en fruit van hoge kwaliteit, gebracht onder de fabrieksnaam Hak; heeft een nog...

Lees verder
1977
2020-12-05
Erotisch woordenboek

Geschreven door Hans Heestermans (1977)

hak

hak - in de verb.: hak in de vellen, coïtus; wrsch. is hak hier ‘houw, slag. stoot’ en vel ‘vrouw’ (vgl. piekedenieze). Hoe menighmael sy Piecke-denise gespeelt hadden, dat is te seggen hack in de Vellen, Pans Fluytje 1, 16 [1675],

1973
2020-12-05
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

hak

m. (-ken), 1. het hakken; de tijd waarin het hout wordt gehakt: het is nu in de — van het hout; 2. houw, slag met een bijl enz.: nog een paar hakken met de bijl en het is door; 3. door hakken ontstane kerf of snede: er is een hele — uit de tafel; 4. gedeelte van een perceel veen van een veenderij dat aan de snede is; 5. bitse uitval...

Lees verder
1971
2020-12-05
Watersport A-Z

Watersport A-Z, Kramer (1971)

Hak

Hak - 1. Naar achteren uitstekend deel onder aan het schroefraam, dat het roer draagt en waarin de onderkant van de roerkoning is gelagerd. 2. achterwaartse verlenging van een roerblad onder de waterlijn. Komt vooral voor op oud-Hollandse schepen en dient om een groter bladoppervlak te krijgen, zo dat langzaam varend goed gemanoeuvreerd kan worden....

Lees verder
1933
2020-12-05
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Hak

Hak - landbouwwerktuig; →Hakken.

1898
2020-12-05
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Hak

Het begrip hak heeft 5 verschillende betekenissen: 1. hak - HAK, m. het hakken, de tijd, waarin het hout wordt gehakt: het is thans in den hak van het hout; — , (-ken), houw, slag nog een paar hakken met den bijl en het is door; een door hakken ontstane kerf of snede er is een heele hak uit de tafel; — (molenb.) uitgehakt hoek in de s...

Lees verder