Haken
(haakte, heeft gehaakt), I. (onoverg.) 1. met of als met een haak grijpen of blijven hechten: de doornen haakten in de wollen vacht der schapen; dat haakt niet goed in elkaar; 2. aan een haak of haakvormig voorwerp blijven hangen: hij bleef met zijn jas aan een spijker haken; — (fig.) zo lang die dingen nog haken, is...