Wat is de betekenis van Gallisch?

2022
2022-08-08
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

gallisch

(1931) (< Hebr. 'challesj' (zwak), hier gebruikt in de zin van `misselijk, naar) (Barg.) sikkeneurig; kwaad; wrevelig; korzelig. Volgens Endt en Frerichs (1974) heeft gallisch ook de betekenis `geil, heet van zinnen'. Bij dit laatste zouden we te maken hebben met het uit joodse mond opgevangen en verkeerd begrepen 'challis...

Lees verder
2020
2022-08-08
Onze Taal

Genootschap Onze Taal | Woordpost

gallisch

betekenis korzelig, kregel, kwaad uitspraak [gal-lies] citaat "'Ik ben niet van de inhoud', zeggen ze dan, 'ik ben van het proces'. Gallisch word ik daarvan." Bron: Jan Kuitenbrouwer: 'Ga alsjeblieft niet zo mee in dat bange gehuil' (Joost de Vries, de Volkskrant, 1 december 2014) woordfeit Het woord galli...

Lees verder
2019
2022-08-08
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

Gallisch

Gallisch - Zelfstandignaamwoord 1. (taal) de uitgestorven Keltische taal die in Gallia gesproken werd, gewoonlijk onderverdeeld in Cisalpijns- (xcg) en Transalpijns-Gallisch (xtg) Het Gallisch heeft op sommige plaatsen mogelijk het Romeinse Rijk nog wel overleefd, maar is in de tijd van de Franken ze...

Lees verder
2017
2022-08-08
Marc De Coster

Auteur van o.a. Het Groot Scheldwoordenboek

Gallisch

Gallisch - nijdig, boos, misselijk: Daar word ik helemaal gallisch van. Uit Hebr. challasj = zwak. Toneelkringen.

2014
2022-08-08
Mokums woordenboek

Ditte Simons en Hans Heestermans

gallisch

(< Jidd. challesj, misselijk < Hebr. challosj, zwak), 1. misselijk, naar, onpasselijk; alleen in de verb. ergens gallisch van worden: Ik tel 34 fouten in mijn dictee. Al zijn het voornamelijk verbindings-streepjes . ik word hier volstrekt gallisch van, HANS ORANJE in KN; 2. geil, heet (mog. ontstaan onder invloed van geil): ENDT.

Lees verder
1977
2022-08-08
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

gallisch

gallisch - geil, heet van zinnen, ENDT vermoedt dat het in feite gaat om een uit joodse mond opgevangen en verkeerd geduid gallisj (in bv.: daar word ik helemaal gallisj van) dat uit het hebr. challasj ‘zwak’ stamt; vandaar: misselijk, naar.

1973
2022-08-08
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gallisch

I. bn., van, uit Gallië: de Gallische haan, zinnebeeld van de Franse Republiek; II. zn., o., taal van de Galliërs. →Keltische talen.

Lees verder
1947
2022-08-08
Winkler Prins Encyclopedie

Winkler Prins 1947

Gallisch

is de weergave van de naam waarmee de Keltisch sprekende bevolkingen van Ierland, Schotland en het eiland Man hun onderling nauw verwante talen aanduiden (Nieuw-Iers: Gaedhealg; Schots: Gaidhlig; Manx: Gaelck) (zKeltische talen). In het Engelse spraakgebruik wordt onder Gaelic (soms ook Erse) in het bijzonder de t...

Lees verder
1937
2022-08-08
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

Gallisch

bn., bw. ([als] van, uit, in, eigen aan, betrekking hebbende op Gallië): Gallische stammen; de Gallische haan, heraldiek symbool der eerste Fr. republiek 1792-1804, onder Karel X en Louis-Philippe tot 1848, en nu weer van de republiek van 1870.