Wat is de betekenis van Egge?

2020
2021-06-22
Meertens Instituut

Nederlandse Voornamenbank

Egge

Zie Ege

1993
2021-06-22
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Egge

het scherp van een mes; deel van een vensteropening

1973
2021-06-22
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

egge

v./m. (-n), 1. zelfkant van een weefsel (ook: neg); 2. het scherp van een mes, beitel, bijl enz.; 3. dagzijde van een lichtopening in een muur voorzover die vóór een kozijn in het gezicht komt: een boogvenster met afzettende eggen.

Lees verder
1964
2021-06-22
voornamen

Voornamenboek

Egge

m Ege (Fri.).

1958
2021-06-22
Encyclopedie van Friesland

Encyclopedie van Friesland (1958) onder redactie van Prof. Dr. J.H. Brouwer

EGGE

(ook: igge = hoek; Engels: edge, Duits: Eche). In: Eggedijk, onder Miedum; Kromme Egge, onder Akkrum; de Eggen, op Ameland; Surich, in Wonseradeel; Nordig (Norg), Surig (Sorg), bij Molkwerum. Zie: Moerman, 61; Schönfeld, Veldnamen, 112.

Lees verder
1952
2021-06-22
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Egge

s., eide.

1950
2021-06-22
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Egge

v. (-n), 1. zelfkant van een weefsel (thans neg); 2. het scherp van een mes, beitel, bijl enz. ; 3. dagzijde van een lichtopening in een muur voor zover die vóór een kozijn in het gezicht komt: een boogvenster met afzettende eggen.

Lees verder
1949
2021-06-22
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Egge

landbouwwerktuig, reeds bekend bij de Egyptenaren, Joden, Romeinen (niet bij de Grieken). Zij bestaat uit een raam (ijzer of hout) met tanden. Van voren zit er een aanspanningsinrichting aan, van achteren dikwijls een ketting met knuppel om het werktuig te kunnen lichten. De moderne E. is de schijf-E. Aan twee horizontale assen, die een stompe hoek...

Lees verder
1919
2021-06-22
uitdrukkingen

Woorden en uitdrukkingen verklaard

Egge

landbouwwerktuig om de groote kluiten van bouwgrond te breken of zaad met aarde te bedekken; afgel. . van het ww. eggen, mnl. eggen, mnd. eggen, ohd. ecken, hgd. eggen, verwant met lat. occare (eggen) en grie. oxinès (zuur). In dialecten komt nog voor een verwant eegde, mnl. eghede, ohd. egida, os. egilha, ofri. eide.

1898
2021-06-22
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Egge

EGGE, v. (-n), EG, v. (-gen), landbouwwerktuig, bestaande uit een houten of ijzeren raam waarin in eene schuine richting houten of ijzeren pennen zijn gestoken, die den grond losmaken; dient ook tot 't vernietigen van onkruid, ’t onder de aarde brengen van het zaad, het verdeelen van kluiten en halfvergane zoden enz.; — (spr. gew.)...

Lees verder
1870
2021-06-22
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Egge

Egge (De) is na den ploeg, het belangrijkste werktuig van den landbouw. Zij bestaat uit een stevig houten roosterwerk, met ijzeren pennen bezet, welke door het land getrokken worden om het los te maken door het verbreken en effenen der kluiten, — voorts om het onkruid te vernietigen, dat daardoor aan den grond ontrukt wordt en aan de oppervlakte ve...

Lees verder