Economie
(<Fr.), v., 1. zuinigheid; bezuiniging; 2. leer van de tijdelijke menselijke welvaart, huishoudkunde, inz. land- of staathuishoudkunde en ook de volkshuishouding zelf; 3. staathuishoudkundig bestuur, economische practijk; 4. inrichting, opzet uit een oogpunt van doelmatigheid: de economie der wet.