Wat is de betekenis van Boon?

2024-02-25
Algemeen Nederlands Woordenboek

Algemeen Nederlands Woordenboek (2009-heden)

boon

Het begrip boon heeft 5 verschillende betekenissen: 1) zaad van vlinderbloemige planten. zaad van een aantal soorten vlinderbloemige planten, dat met of zonder peul als groente gegeten wordt. Men onderscheidt verschillende rassen, waaronder de bruine boon, witte boon, tuinboon, sperzieboon en snijboon de bekendste zijn. 2) bonenpl...

2024-02-25
Nederlandse Voornamenbank

Meertens Instituut (2020)

Boon

Zie Bone Het kan ook een verkorting van Bonifatius zijn.

2024-02-25
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

boon

boon - Zelfstandignaamwoord 1. (plantkunde) (voeding) Phaseolus vulgaris Vicia faba vlinderbloemige plant met rode, witte of paarse bloemen, waaruit de eetbare peulvruchten groeien 2. zaadje uit de peulvrucht van enige vlinderbloemige planten, waarvan men alleen de zaden ofwel de gehele vrucht eet

2024-02-25
Familienamen

Leendert Brouwer (2017)

Boon

1. Als patroniem: eertijds kwam de voornaam Boon/Bone voor. Dit zou via Bo(u)din een gesyncopeerde vorm van Boudewijn kunnen zijn; zie onderstaand voorbeeld Boon(se) uit Boudynsz/Boynsz, waaruit kan worden opgemaakt dat de achternaam Boon uit het patroniem Boudinsz (Boudewijnszoon) is voortgekomen. De voornaam Boon/Bone werd ook als een verkorte vo...

Wil je toegang tot alle 20 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-25
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

boon

boon - zelfstandig naamwoord 1. ovaal of rond zaad van een peulvrucht ♢ we eten vanavond bruine bonen 1. boontjes uit het water eten [heel sober leven] 2. je boontjes te week le...

2024-02-25
Culinair van a tot z

Peter Joh. M. Zuidweg (2016)

boon

zaad van een aantal soorten vlinderbloemige planten, dat met of zonder peul als groente gegeten wordt Men onderscheidt verschillende rassen, waaronder de bruine boon, witte boon, tuinboon, sperzieboon en snijboon de bekendste zijn.

2024-02-25
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema (2003)

boon

- een boontje voor iemand, een zwak voor iemand hebben, een voorliefde voor iemand hebben. Beiden verwachten zich aan een heel speciale avond. ‘Nu ik met pensioen ben, heb ik eindelijk tijd voor zulke evenementen’, meldt Annie. ‘En ik heb een boontje voor prins Laurent’, lacht Annemie. ‘Hij is toch apart.’...

2024-02-25
Vloeken lexicon

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg (1997)

boon

De verwensing loop in de bonen! staat gelijk met loop naar de duivel!, loop naar de maan! enz. Ook bestaat de zelfverwensing ik ben een boon als het niet waar is! Zij werd gebruikt om kracht bij te zetten aan een bewering en betekent zoiets als ‘ik mag iets zeer onbeduidends worden als het niet waar is’. De vloek is...

2024-02-25
Prisma van de symbolen

Hans Biedermann (1992)

boon

als cultuurplant zeker zo oud als graan. In Egypte golden bonen, als veroorzakers van winderigheid en om hun geslachtsdrift-prikkelende werking, vooral bij priesters als onrein.

2024-02-25
Encyclopedie van de Zaanstreek

Eindredactie Jan Pieter Woudt & Klaas Woudt (1991)

Boon

Ondernemersgeslacht te Wormerveer in de 19e eeuw, grondleggers van Koninklijke Fabrieken →Boon bv. Jacob Willem Boon (1789-1863), gehuwd met Neeltje Emmer (1782-1859), was oorspronkelijk timmerman te Wormerveer, maar begon later als blauwselkoper. De blauwselkoperij was in de 18e en 19e eeuw geen onbelangrijke handelstak. Behalve in blauwsel h...

2024-02-25
Encyclopedie voor Zelfstudie

drs. L.A. Beeloo (1981)

Boon

een verzamelnaam voor soorten uit verschillende geslachten van de vlinderbloemigen. Daartoe behoren in de eerste plaats de snijboon, prinsessenboon, witte, bruine en kievitsboon, de pronkboon (voor al deze soorten zie bonen) en verder de grote of tuinboon, ook wel roomse of molleboon genaamd, met een kleine variëteit, die paardeboon hee...

2024-02-25
Zuidnederlands Woordenboek

Walter De Clerck (1981)

boon

In de uitdr. een boontje voor iem. hebben, een bijzondere genegenheid, een voorliefde, een zwak voor iem. hebben. De brave man heeft wel een boontje voor me, maar hij is oud en krijgt zelfs de kleine parochievraagstukken op zijn eigen dorp niet meer opgelost, VERMEYEN 1947, 19. Gelukkig voor Wommelgem hadden de onweerswolken... een boontje...

2024-02-25
Lexicon Beeldende Kunstenaars

Pieter Scheen (1980)

Boon

Adriaan; geb. Rotterdam, ged. 1 mei 1763, overl. Rotterdam 27 oktober 1802. Was een middelmatig portrettekenaar (pastel). Er zijn ook tekeningen van hem bekend, o.a. van de illuminatie te Rotterdam in 1788.HOORN -Westfries Museum: mansportret (pastel) A. Boon fecit 1796; damesportret (pastel) A. Boon fecit 1796. Kramm; Scheen 1946 en 196...

2024-02-25
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans (1977)

boon

boon - als zinnebeeld van ontucht, erotiek in versch. verbindingen. Quam daer een meysjen in desen tuyn, lek sou niet roepen alluyn, alluyn: Dan in mijn armen soud ick haer luycken, En helpen haer de Boonkens pluycken, VISSCHER, Brabb. 46 [± 1600].

2024-02-25
Voornamenboek

Dr. Johannes van der Schaar (1964)

Boon

m -> Bone. Boon komt ook in Ze. voor; daar zal het wel een verkorting zijn van Bonifatius.

2024-02-25
Zuid-afrikaans woordenboek

H.J. Terblanche - M.A., D. Litt

boon

bone, sien boontjie.

2024-02-25
Agrarisch Encyclopedie

Veerman (1954)

Boon

De vele soorten b. behoren alle tot de fam. der Vlinderbloemigen, maar tot twee verschillende geslachten: Phaseolus en Vicia. I. PHASEOLUS-BONEN Herkomst en nut. Van het geslacht Phaseolus zijn ruim 200 soorten beschreven. Verreweg het grootste deel hiervan komt voor in N., Centr. en Z.Am. Het centrum van herkomst (diversiteitscentruin) is Centr....

2024-02-25
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Boon

s., bean, bean(n)e, pl. b e a n e, b e a n n e(n); grote bonen, slofferbeane; elk moet zijn eigen -tjes doppen, elk moat syn eigen fûle aeijen mar lotterje.

2024-02-25
Woordenboek Engels (EN-NL)

Dr. F.P.H. van Wely (1951)

Boon

I geschenk; gunst; zegen, weldaad; II mild, gul; boon companion, goeie kameraad, vrolijke kwant.

2024-02-25
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Boon

v. (bonen). 1. het zaad van de peulvrucht van enige vlinderbloemige, alg. voorkomende planten ( Vicia faba en Phaseolus), in vele verscheidenheden aangekweekt, waarvan men de zaden alleen of wel de gehele vrucht eet of die tot veevoeder dienen; in ’t bijz. gedroogde bruine of witte bonen: erwten en bonen zijn wviterkos...