Wat is de betekenis van Beduiden?

2019
2022-09-28
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

beduiden

beduiden - Werkwoord 1. (ov) ergens naar verwijzen Dat beduidde iets anders. Dat waarschuwingslampje heeft niets te beduiden. 2. iets met gebaren duidelijk maken Ik beduide hem in stilte dat hij moest gaan zit...

Lees verder
2018
2022-09-28
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

beduiden

beduiden - regelmatig werkwoord uitspraak: be-dui-den 1. zeggen wat de bedoeling is ♢ wat heeft dat te beduiden? 2. het met gebaren duidelijk maken ♢ de man beduidde ons dichterbij te komen...

Lees verder
1973
2022-09-28
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Beduiden

(beduidde, heeft beduid), 1. meteen gebaar iets duidelijk maken: de agent beduidde mij te stoppen; 2. aan het verstand brengen: vader wist hem gauw te dat zo iets niet te pas kwam; 3. door aanwijzing doen kennen: iemand de weg beduiden; 4 betekenen, te kennen geven, de betekenis hebben van: dat bord beduidt: verboden voor alle verkeer; 5. betekenis...

Lees verder
1952
2022-09-28
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Beduiden

v., bitsjutte, úttsjutte.

1950
2022-09-28
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Beduiden

(beduidde, heeft beduid), 1. duidelijk maken (aan iem.), doen begrijpen, aan het verstand brengen: vader wist hem gauw te beduiden, dat zo iets niet te pas kwam; 2. door aanduiding, aanwijzing doen kennen: iem. de weg goed beduiden; — verklaren, uitleggen: ik kan niet goed beduiden, wat ik bedoel; 3. betekenen, te kenne...

Lees verder
1937
2022-09-28
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

beduiden

beduidde, h. beduid (1 aanwijzen inz. met tekens; 2 aan het verstand brengen; 3 betekenen, de betekenis van iets hebben; 4 betekenen, waarde hebben, met bep.; 5 voorspellen): 1. hij wilde mij beduiden waar die heer woonde, maar ik kon hem in zijn aanwijzingen niet volgen; 2. ik wist hem te beduiden, dat hij ongelijk had; 3. die W. beduidt Wullem; 4...

Lees verder
1930
2022-09-28
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

beduiden

(bə'duidən) (beduidde, heeft beduid) 1. duidelijk maken : iemand dat hij moet zwijgen. Syn. ophelderen, toelichten, verklaren. 2. te kennen geven : een hart beduidt liefde. Syn. betekenen. 3. een bepaalde waarde hebben : iets, veel, weinig te hebben. Syn. betekenen. 4. voorspellen : dat beduidt niet veel goeds.

Lees verder
1898
2022-09-28
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Beduiden

BEDUIDEN, (beduidde, heeft beduid), door teekens aanwijzen een hart beduidt liefde; — duidelijk maken, aanduiden iem. den weg goed beduiden; — aan het verstand brengen vader wist hem gauw te beduiden, dat zoo iets niet te pas kwam; — verklaren, aantoonen, uitleggen ik kan niet goed beduiden, wat ik bedoel; — beteekenen di...

Lees verder
1864
2022-09-28
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Beduiden

Beduiden, bw. gel. (ik beduidde, heb beduid), verklaren, aantoonen, uitleggen; beteekenen. *-IS, v. (-sen), beteekenis. *...DUIDSEL, o. *...ING, v. gmv. het beduiden.

Lees verder