Beduiden
(beduidde, heeft beduid), 1. duidelijk maken (aan iem.), doen begrijpen, aan het verstand brengen: vader wist hem gauw te beduiden, dat zo iets niet te pas kwam; 2. door aanduiding, aanwijzing doen kennen: iem. de weg goed beduiden; — verklaren, uitleggen: ik kan niet goed beduiden, wat ik bedoel; 3. betekenen, te kenne...