Wat is de betekenis van bankroetier?

2020
2021-03-01
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

bankroetier

iemand die failliet gaat. iemand die failliet gaat of failliet is gegaan. Voorbeelden: "Ondernemers, zakenlieden en particulieren zinken steeds verder weg in hun schulden, elke week hangt wel een of andere werkloze of bankroetier zich op, het analfabetisme heeft al een kwart van de bevolking in zijn greep, en het einde van de ge...

Lees verder
2020
2021-03-01
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

bankroetier

(17e eeuw) ( Fr. banqueroutier) iemand die (na bedrog of fraude) failliet is gegaan; iemand die zijn geldelijke verplichtingen niet meer kan nakomen. “De hedendaagsche bankroetier achterhaalt” was een kluchtspel uit 1713 van Frans Rijk. De term is thans in onbruik geraakt. • Voor zover we zijn leven kunnen overzien, is hij gedurend...

Lees verder
2019
2021-03-01
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

bankroetier

bankroetier - Zelfstandignaamwoord 1. (financieel) (pejoratief) iemand die bankroet gaat (eventueel gepaard gaande met fraude) Woordherkomst afgeleid van bankroet met het achtervoegsel -ier

Lees verder
2007
2021-03-01
Scheldwoordenboek

Geschreven door Marc de Coster © 2007

bankroetier

(verouderd) iemand die (na bedrog) failliet is gegaan. Ontleend aan het Frans (banqueroutier). Voor zover we zijn leven kunnen overzien, is hij gedurende één periode als oplichter opgetreden, maar is hij als bankroetier een recidivist. (G.A. Bredero, Spaanschen Brabander, 1617) Dit heeft hem den naam van een ‘bankroetier’...

Lees verder
1993
2021-03-01
Vreemd Nederlands

Vreemd Nederlands

Bankroetier

iemand die bankroet gaat om met opzet te benadelen

1973
2021-03-01
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

Bankroetier

Bankroetier - [Fr. banqueroutier], m. (-s), iemand die bankroet gaat, m.n. wanneer daarbij fraude in het spel is.

1950
2021-03-01
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Bankroetier

m. (-s), iem. die bankroet gaat, inz. wanneer daarbij bedrog gepleegd wordt.

1910
2021-03-01
Handelslexicon

Handelslexicon (1910) door J. Hagers

Bankroetier

Bankroetier - Eng. bankrupt, Fr. banqueroutier, D. bankerottirer. De koopman die door misslagen, door geldverspilling, de belangen van anderen moedwillig heeft benadeeld, zich heimelijk verwijdert zonder orde op zijne zaken te stellen, of op verkregen bewijzen bij rechterlijk vonnis veroordeeld is, wegens het in gebreke blijven ten opzichte van de...

Lees verder
1898
2021-03-01
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

BANKROETIER

m. (-s), iem. die bankroet gaat, inz. wanneer daarbij bedrog gepleegd wordt. BANKROETIERSTER, v. (-s).