Wat is de betekenis van Bakkes?

2020
2021-06-18
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

bakkes

(1546) (plat) mond. In uitdrukkingen zoals: iemand een vuil bakkes geven (een grote mond opzetten tegen iemand); iemand op z'n bakkes geven (op z'n gezicht slaan); hou je bakkes (hou je mond). Volgens de etymologen is het tegenwoordig als oneerbiedig beschouwde woord bakkes waarschijnlijk ontstaan uit het al in de 16de eeuw voorkomende ‘ba...

Lees verder
2019
2021-06-18
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

bakkes

bakkes - Zelfstandignaamwoord 1. (informeel) gezicht 2. (informeel) mond

Lees verder
1998
2021-06-18
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Bakkes

gezicht, smoel, in erg informele uitdr. als iemand een vuil bakkes geven‘een grote mond opzetten tegen iemand’; iemand op zijn bakkes geven‘op zijn gezicht slaan’; hou je bakkes‘hou je mond’ (bijv. bij Justus van Maurik, Toen ik nog jong was(1901): ‘Hou nou je bakkes’). Volgens de etymologen is het teg. als oneerbiedig beschouwde woord bakkeswaarsc...

Lees verder
1980
2021-06-18
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

Bakkes

Bakkes is een van de vele benamingen van: gezicht. Het woord is al heel oud en werd vroeger ook: bakkis en bakkus geschreven. Het is ontstaan uit bakhuis. In het Westfries kent men nog de naam backes voor: huisje op een boerenerf waarin een daglonersgezin woont, eigenlijk: huisje waarin men bakt. Het woord waarover hier gesproken wordt, is een sche...

Lees verder
1973
2021-06-18
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Bakkes

Bakkes - o. (-en), (gemeenz.) gezicht: een lelijk -.

1969
2021-06-18
Pieter Scheen

Rode Scheen: Lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars 1750-1950

Bakkes

Bakkes - zie H. J. Schoemaker.

1955
2021-06-18
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Bakkes

aangezicht

1950
2021-06-18
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Bakkes

o. (-en), (gemeenz.) gezicht: een lelijk bakkes ;. een lief bakkes je ; — (oneig.) iem. een vuil bakkes geven, een grote mond tegen hem opzetten; — iem. op zijn. bakkes geven (komen), op zijn gezicht slaan; — houd je bakkes, wees stil, spreek niet tegen.

1919
2021-06-18
uitdrukkingen

Woorden en uitdrukkingen verklaard

Bakkes

ook bakhuis, in België alleen het laatste; = gezicht. Het eerste gedeelte is dezelfde stam, die in kinnebak, baktand voorkomt en kaak beteekent. Verondersteld wordt, dat het ontstaan is uit een meerv. bakkens, dat tot bakkes werd en dat later (reeds Kil. heeft alleen bakhuys) schijnbaar hersteld zal zijn tot dien gewaanden juisten vorm bakhuis...

Lees verder
1898
2021-06-18
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

BAKKES

o. (-en), (gemeenz.) gezicht; een leelijk bakkes, een lief bakkesje; — een vies bakkes trekken,een vies gezicht zetten; — iem. een vuil bakkes geven, een grooten mond tegen hem opzetten; — iem. op zijn bakkes geven (komen), in het gezicht slaan; — houd je bakkes, wees stil, spreek niet tegen; vgl. apenbakkes.

Lees verder