Wat is de betekenis van aanwas?

Synoniemen van aanwas

2019
2020-11-29
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

aanwas

aanwas - Zelfstandignaamwoord 1. het groter worden door aanslibbing 2. aangroei aanwas - Werkwoord 1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanwassen ♢... dat ik aanwas Woordherkomst Naamwoord van handeling aanwassen

Lees verder
2003
2020-11-29
Financieel Woordenboek

Door Frits Conijn & R.M. van Poll (2003)

aanwas

aanwas - Groei van de waarde van iemands bezit.

1990
2020-11-29
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

aanwas

aanwas - Een geleidelijke toename of vergroting door aanwas van nieuw materiaal aan de buitenkant van een object; bijvoorbeeld de toename in omvang van een anorganische massa doordat nieuwe deeltjes aan de oppervlakte ervan worden toegevoegd, of de toename van land door het aanslibben van sedimenten.

1985
2020-11-29
Encyclopedie van Noord Brabant

Anton van Oirschot (1985-1986)

AANWAS

a. oude buurtschap onder Ossendrecht, met rond de eeuwwisseling circa 250 inwoners; b. polder onder Steenbergen 164 ha groot, in 1382 bedijkt; c. gehucht onder Rucphen.

Lees verder
1982
2020-11-29
Encyclopedie van Zeeland

Alles over Zeeland

AANWAS

(alluvio). Natuurlijke uitbreiding van aan zee of stroom gelegen gronden, ontstaan doordat zand- of kleideeltjes ten gevolge van een vermindering van de stroomsnelheid aldaar bezinken. Het proces van aanwas verloopt uiteraard zeer langzaam. In het nog geldende artikel 651 van het Burgerlijk Wetboek worden aanslijkingen en aanwassen ‘aanspoeli...

Lees verder
1974
2020-11-29
Biologische encyclopedie

Biologische encyclopedie geschreven door G. Th. van Kempen. Amsterdam, 1974.

aanwas

of bijgroei, toename van de afmetingen van een boom of opstand tengevolge van groei.

1973
2020-11-29
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

aanwas

aanwas - m. (-sen), aangroeiing, vermeerdering, toeneming, vergroting; (bosbouw) toeneming van omvang van een boom of opstand ; de — van de bevolking, het steeds groter worden; (recht) recht van -, recht van een erfgenaam of legataris op vergroting van erfdeel of legaat, ingeval de erfstelling of het legaat aan verscheidene personen gezamenlijk gem...

Lees verder
1958
2020-11-29
Encyclopedie van Friesland

Encyclopedie van Friesland (1958) onder redactie van Prof. Dr. J.H. Brouwer

AANWAS

(Recht van A., het recht op aangeslibde gronden). In de gefeodaliseerde gebieden kwam de A. de landsheer toe; volgens het Romeinse en hedendaagse recht de oevereigenaars. Over het recht van A. in de Fr. M.E. is weinig bekend. Omdat dorpen, vrij ver van de A. gelegen, hier veelal tóch een aandeel in hebben gehad, is het wrsch. dat toen de di...

Lees verder
1936
2020-11-29
Koenen woordenboek

Koenen woordenboek 1936

aanwas

m. -wassen (het groter worden door op- en aanslibbing): van grond, recht van -; fig. van bevolking, toeneming; Z.-N. ook: uitwas, aangroeisel.

1916
2020-11-29
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Aanwas

Aanwas - (boschb.), de toeneming in houtmassa of in waarde van het bosch of van den boom. Men onderscheidt een dikte-aanwas, een lengte-aanwas en een aanwas in waarde, welke laatste nog weer een gevolg kan zijn van de toeneming in dikte of lengte van het hout of wel van een algemeene prijsstijging. De aanwas wordt gewoonlijk uitgedrukt in procenten...

Lees verder
1898
2020-11-29
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

aanwas

Aanwas - m. vermeerdering, toeneming, vergrooting, aangroeiing; in aanwas staan, (van boomen) voortdurend groeien en daardoor in waarde toenemen: de aanwas van steden; (recht.) recht van aanwas, recht op de vergrooting van erfdeel of legaat; aanwas van grond, langzame uitbreiding, vergrooting van grond aan een loopend wa...

Lees verder
1870
2020-11-29
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Aanwas

Aanwas of regt van aanwas (jus accrescendi) bestaat, wanneer een erflater over eenig goed in zijn geheel beschikt heeft ten voordeele van eenige bepaalde personen en wel zoo, dat de gelden of het genot, door zoodanig gemeenschappelijk goed opgeleverd, alleen aan die personen worden toegekend, zoodat door overlijden of door andere gestelde voorwaard...

Lees verder