Ketter betekenis & definitie

Een ketter is een persoon die tegen de gevestigde geloofsovertuiging van een land of gebied ingaat, en ketterij aanhangt.

Het woord ketter vindt zijn oorsprong in de 12e eeuw. De Duitse monnik Eckbert Von Schönau gebruikte het woord ‘Katharen’ voor een groep christenen die een andere stroming dan het katholieke praktiseerde.

Vervolgens werd diezelfde term gebruikt om de Albigenzen mee aan te duiden. De Albigenzen waren eveneens een groep gelovigen die een andere stroming dan het katholieke praktiseerden. Zij waren actief in het zuiden van Frankrijk rond de stad Albi, vandaar de naam Albigenzen.

De aanhang van een andere stroming binnen het Christendom ging uiteraard tegen de wil van de Paus in, en deze organiseerde dan ook kruistochten om de Albigenzen, die toen al grootschalig Katharen werden genoemd, te vernietigen. De Albigenzen zijn daarna de geschiedenis ingegaan als de Katharen.

Waar je vroeger nog op de brandstapel belandde als men alleen al vermoedde dat je een ketter was, heeft de term tegenwoordig, zeker in het seculiere Nederland, een positiever aanzien. Nu wordt de ketter gezien als iemand met een vrije geest, en iemand die de ontwikkeling van het denken mogelijk maakt.

Een positiever aanzien had het woord ook al voordat het in de 12e eeuw een negatieve connotatie kreeg. Oorspronkelijk stam het woord ketterij af van het Griekse ‘hairesis’, dat ‘keuze’ betekent.

Gepubliceerd op 07-03-2016