kroon betekenis & definitie

Het begrip kroon heeft 21 verschillende betekenissen:

1) iemand te schande maken
2) het mooiste van de schepping, meestal: de mens; het mooiste van iets
3) iets wat als overwinning geldt; overwinning; prijs; titel
4) iets wat op een kroon lijkt, vaak hoofdbedekking die op een kroon lijkt, vooral bij dieren, of een hoofddeksel dat of hoofdversiering die gevormd is als een kroon, of iets anders dat de vorm van een kroon heeft, bijvoorbeeld een gedeelte van een bloem of een plant
5) zeer succesvolle of indrukwekkende voltooiing of afronding van iets; slotstuk van iets dat het tot een schitterend of eervol geheel maakt; de schitterende of zeer succesvolle voltooiing van iets; zeer indrukwekkend hoogtepunt; het meest indrukwekkende
6) prothese die de kroon van een kies of tand vervangt
7) vorst, drager van de kroon, meestal samen met de ministers; regering; groep personen die bestaat uit een koning of koningin en de ministers
8) geen aanspraak meer hebben op de troon; niet langer aanspraak kunnen maken op de troon
9) bovenste gedeelte van een bloem of plant
10) met iemand of iets wedijveren; iemand of iets willen overtreffen of dreigen te overtreffen; beter zijn of willen zijn dan iets of iemand
11) iets of iemand overtreft alles
12) munteenheid in een aantal Europese landen, te weten Denemarken, IJsland, Noorwegen, Zweden, Tsjechië en de eilandengroep De Faeröer
13) iets wat erg mooi is; iets wat zeer fraai is
14) hoofddeksel van vorsten en andere voorname figuren dat als teken van waardigheid gedragen wordt, vooral bij plechtige gelegenheden
15) bovenste gedeelte van een boom, te weten de takken en de bladeren; kruin
16) iets wat zeer belangrijk is; iets wat het belangrijkste is
17) afbeelding van een kroon, bijvoorbeeld op een wapenschild of een onderscheiding
18) hoogtepunt in een carrière; zeer succesvol of indrukwekkend eindpunt, besluit van een carrière; het meest succesvolle of indrukwekkende in een carrière
19) bovenste gedeelte van iets, bijvoorbeeld van een gebouw; bovengedeelte
20) bestuursmacht, door de vorst(in) en de verantwoordelijke minister(s) uitgeoefend; bestuursmacht door de regering uitgeoefend
21) bovenste gedeelte van een tand; zichtbare gedeelte van een tand in de mond