Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Gepubliceerd op 18-08-2020

Paterstuk (keuken)

betekenis & definitie

Vierkant stuk rundvleesch met been, gesneden van de lange rugspieren, dus vleesch met ribben en wervels.

De slager rangschikt zijn soorten ribstuk naar de vleeschdikte en spreekt van: voorste ribben, achterste ribben, lendenstuk, paterstuk.

Het paterstuk is zeer vleezig. Nadat het is gebraden, neemt men het been eruit en snijdt het vleesch in schijven, welke men op elkaar op de losse beenderen legt, voordat het wordt opgediend.

Al deze ribstukken worden ook gezouten en gerookt in ons land ingevoerd als Hamburger Rib.