Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

Gepubliceerd op 01-04-2025

broeder

betekenis & definitie

1) (2004) (Tilburg, sch.) drol. Eigenlijk: pannenkoek. Syn.: bolus*; bout*; but*; ei*; kukel*; stinkroos*; torpedo*.

• (Paul Spapens, Gerard Steijns, Wil Sterenborg & Frans Verbunt: Goedgetold. Diksjenèèr van de Tilbörgse taol. 2004)

2) (17e eeuw) (voluit: broeder in de zak) soort koek van boekweitmeel, melk en stroop (later ook met krenten, rozijnen, sukade enz. er door heen), gekookt in een zak, in een ijzeren pot of een ketel, met een bruine korst gebakken. Als de koek niet gaar was viel er een gat - een pul - in, tot schande van de kookster.

• Griet spéélde met het ijzer! Kwam er niet trouw een pul in de broeder* als de vrouw die maakte? (Frederik Pieter Groot: Marijt. 1971) Broeder - meelkoek. Als die niet gaar was viel er een gat - een pul - in, tot schande van de kookster.

< >