Substantie betekenis & definitie

Parmenides (zie eleaten) gaf een ogenschijnlijk logisch bewijs dat de werkelijkheid noodzakelijk één is. Hij schijnt te hebben gemeend dat iets werkelijks op alle tijdstippen en op alle plaatsen moet bestaan, en in de eeuwen na hem werden er vele pogingen ondernomen om te onderscheiden tussen het werkelijke, dat aan deze beide eisen of aan één ervan voldeed, en het slechts schijnbare of afgeleide.

In het epicureïsche stelsel waren de atomen waaruit de dingen bestonden reëel, terwijl de veranderlijke kleuren of temperaturen ervan er slechts door ons aan werden toegeschreven. Tegen deze achtergrond wordt het begrip substantie door Aristoteles voor het eerst expliciet besproken. Substantie is bij hem een van de categorieËN. ‘Substantie’ is de hier overgenomen traditionele vertaling van ‘ousia’. Sommige geleerden beschouwen ‘substantie’ echter als een slechte vertaling hiervan, ten dele in verband met het latere gebruik van ‘substantie’ door Locke (z.o.). Zij geven de voorkeur aan termen als ‘zijnde’ of ‘entiteit’.

Aristoteles gebruikt ‘substantie’ naar het lijkt in twee hoofdbetekenissen (al zien sommigen hier twee soorten substantie). In de eerste betekenis is een substantie een bepaald concreet object, zoals Socrates of dit paard, terwijl zij in de tweede betekenis een v o R M of essentie is die een substantie in de eerste betekenis maakt tot dat wat zij is. Socrates is wat hij is omdat het vlees waaruit hij bestaat de vorm van een mens en niet van bijvoorbeeld een paard heeft aangenomen. In zijn Categoriae gebruikt Aristoteles de termen ‘primaire substantie’ voor de eerste en ‘secundaire substantie’voor de tweede betekenis van ‘substantie’. Socrates is een primaire en de mens een secundaire substantie. Een probleem met deze tweede betekenis van ‘substantie’, waarin een substantie een vorm is, is echter dat niet duidelijk is hoe vormen zich verhouden tot universalia. In zijn Metafysica ontkent Aristoteles dat iets universeels een substantie kan zijn.

Er is echter een derde mogelijke betekenis van ‘substantie’, die Aristoteles noemt maar afwijst, nl. materie, of dat wat er overblijft wanneer men de vorm of eigenschappen van iets wegdenkt. Bij Locke, zoals traditioneel geïnterpreteerd, is de substantie van iets dat wat overblijft wanneer we alle eigenschappen ervan wegdenken, een tamelijk geheimzinnig ‘iets... we weten niet wat’ dat aan de ‘accidentia’ of eigenschappen van de dingen ten grondslag ligt. Maar deze interpretatie van Locke wordt ook wel aangevochten.

Ook Descartes vatte substantie op als het substraat van, als dat wat ten grondslag ligt aan accidentia of eigenschappen, maar hij beklemtoonde het onderscheid tussen substantie en accidentia niet zo sterk dat substantie daarmee onkenbaar werd. We kunnen iets alleen kennen door het te beschrijven, d.w.z. de eigenschappen ervan te noemen, wat onmogelijk is als het er geen heeft. Voor Descartes, evenals voor Parmenides, was substantie permanent, en vormde de stoffelijke wereld slechts één enkele substantie aangezien alleen deze wereld, in tegenstelling tot de dingen erin, permanent was. Leibniz, die substanties als levende wezens opvatte, verbond substantie met de begrippen actualiteit en activiteit. Maar al deze denkers benadrukken dat een substantie iets is dat op zichzelf kan bestaan, in tegenstelling tot attributen en modi. Modi (meervoud van ‘modui) zijn, globaal gezegd, manieren waarop een attribuut aan iets kan toekomen. Men zou rood een modus van het attribuut kleur kunnen noemen. Bedoelde filosofen verschilden van mening over het aantal en over de soorten substanties, waarbij de voornaamste indeling die was in materiële en spirituele substanties; Spinoza meende echter dat er slechts één substantie kon zijn, ‘God of de Natuur’.

Dit begrip substantie als iets dat op zichzelf of onafhankelijk bestaat leidt tot bepaalde problemen. Welke dingen zijn voldoende onderscheidbaar en welomlijnd om als zodanig te kunnen gelden? Wolken? Regenbogen? Schaduwen? En in welke zin moet ‘onafhankelijk’ hier worden opgevat? Is een hand een substantie, ofschoon het altijd de hand van iemand is? Is een vader een substantie indien als ‘vader’ beschreven, of slechts indien beschreven als ‘man’ - aangezien een vader altijd de vader van kinderen is? Vormen met andere woorden vaders één soort substantie net als mannen of paarden? Of is de onafhankelijkheid niet, zoals in dit geval, logisch maar van andere aard - misschien metafysisch, zoals Descartes dacht toen hij God de enige substantie in eigenlijke zin noemde, en andere zaken slechts substanties in afgeleide zin omdat ze hun bestaan aan God danken? In welke zin gaat substantie vooraf aan attributen, in aanmerking genomen dat men evenmin een substantie zonder attributen kan hebben als attributen zonder substantie? En hoe is substantie aan attribuut gerelateerd? Is substantie slechts een bundel attributen? Zo ja, wat bindt de bundel samen? Ligt een substantie aan alle attributen ervan ten grondslag? Maar dit leidt tot de onbevredigende opvatting van een onkenbare substantie. Als substanties datgene zijn waaraan attributen toekomen, wat kunnen we dan zeggen over attributen van attributen? We kunnen toch van een attribuut net zo goed als van een substantie zeggen dat het wenselijk of zeldzaam is, of dat rood helderder is dan rose?

Deze overwegingen brengen ons op nog een dubbelzinnigheid van de term ‘substantie’. Is het misschien in een absolute of metafysische zin dat de inventaris van de wereld is verdeeld in substanties en andere zaken (attributen, relaties enzovoort), en in een relatieve of logische zin dat datgene waar we over spreken de substantie is en wat we erover zeggen de attributen? (Vgl. categorieën.) Er zijn filosofen die de metafysische betekenis verwerpen en die menen dat substantie eigenlijk een linguistisch begrip is (vgl. metafysica . Dit is een van de vormen van nominalisme). Als we echter het metafysische substantiebegrip aanvaarden, moeten we dan abstracte zaken als universalia of proposities (zie zinnen, proposities, uitspraken) tot de substanties rekenen?

Aristoteles, Categoriae (Categories, Engelse vertaling met commentaar door J.L. Ackrill, 1963), i.h.b. hoofdstuk 5, maar vgl. hoofdstuk 7, en Metafysica, boeken 7 (of Z), 8 (H) en 12 (A).
D.M. MacKinnon, ‘Aristotle’s conception of substance’, in R. Bambrough (red.), New Essays on Plato and Aristotle, 1965.
R.D. Sykes, ‘Form in Aristotle: universal or particular?’, Philosophy, 1975. R. Descartes, Principia philosophiae (1644), deel 1, §§51-53 en 56. Vgl. 00k définition 5 van de appendix bij de ‘Secondes réponses’ uit Objections et réponses, een aanhangsel van de Meditations of Meditationes, 1641.
J. Locke, An Essay concerning Human Understanding, 1690, boek 2, hoofdstuk 23. (‘Maar deze interpretatie van Locke wordt ook wel aangevochten’: bijvoorbeeld door M.R. Ayers, ‘The ideas of power and substance in Locke’s philosophy’, in I.C. Tipton (red.), Locke on Human Understanding, 1977, en door J. Bennett, ‘Substance, reality, and primary qualities’, American Philosophical Quarterly, 1965, herdrukt in C.B. Martin en D.M. Armstrong (red.), Locke and Berkeley, z.j.)
W.C. Kneale, ‘The notion of a substance’, Proceedings of the Aristotelian Society, 1939-40. (Algemene historische uiteenzetting, gevolgd door een voorzichtig pleidooi voor het begrip substantie.)
G. Martin, Leibniz: Logik undMetaphysik, 1960, §28. (Leibniz over substantie.)
A. Quinton, The Nature of Things, 1973. (Vier problemen die verband houden met het begrip substantie.)