Xylander betekenis & definitie

Xylander. Onder dezen naam vermelden wij:

Wilhelm Xylander, eigenlijk Holtzmann, een verdienstelijk letterkundige, geboren te Augsburg den 26sten December 1532. Hij studeerde te Tübingen en werd in 1558 hoogleeraar in het Grieksch te Heidelberg, waar hij den lOden Februarij 1576 overleed. Hij leverde uitstekende Latijnsche vertalingen van Grieksche schrijvers, vooral van de geschriften van Dio Cassius (1558), van de „Levens” van Plutarchus (1561), van de „Moralia” van dien schrijver (1570), van de werken van Strabo, van Pausanius, van Eurípides en van Diophantus.

Karl Joseph August, ridder von Xylander, een verdienstelijk krijgsman en letterkundige, geboren te München den 4den Februarij 1794. Hij werd op 12-jarigen leeftijd kadet en reeds in 1812 luitenant bij het korps ingenieurs. In 1813 was hij in dienst bij den aanleg en de verbetering der werken te Augsburg en bij het bouwen van het bruggenhoofd bij Friedberg. Hij had geene gelegenheid om deel te nemen aan den veldtogt van dat jaar, en in het jaar 1815 evenmin. Hij was toen ingenieur te Würzburg en kwam daags na den slag bij Waterloo te Landau. Wegens ongesteldheid erlangde hij verlof en schreef: „Die Strategie und ihre Anwendung (1818)”, — „Was ist neuere Befestigungskunst (1819)”, — en „Die Vertheidigung der Vestungen im Gleichgewicht mit dem Angriff (1820, naar het Zweedsch)”, waarna hij lid werd der Académie van Krijgswetenschappen te Stokholm. Weldra verscheen zijn: „Lehrbuch der Taktik”, dat bij herhaling werd gedrukt, alsmede: „Die Heerbildung (1821)”, — „Ueber Kriegsentwürfe mit Rückblicken auf ältere und neuere Kriege (1825)”, — en „Beitrag zur Geschichte des schwedischen Krieges (1808—1809)”.

Hij volbragt voorts eene groote reis door verschillende Staten van Europa, om zich eene grondige kennis te verschaffen van de militaire inrigtingen elders. Daarna leverde hij: „Betrachtungen über die Infanterie (1827)”, — en „Untersuchungen über das Heerwesen unserer Zeit (1831). Hij nam wijders zijn ontslag uit de dienst en werd afgevaardigde naar den Duitschen Bond, terwijl hij zijne letterkundige studiën ijverig voortzette, zooals blijkt uit zijne werken: „Die Sprache der Albanesen (1834)”, — „Das Sprachgeschlecht der Hellenen u. s. w. (1837)”, — en „Zur Sprachund Geschichtsforschung der neuesten Zeit (1838)”. In 1846 zag hij zich tot tweeden en in 1847 tot eersten militairen gevolmagtigde van Beijeren benoemd, en in 1848 werd hij bevorderd tot kolonel van den generalen staf. Ook werd hij lid van het Parlement te Frankfort, maar legde weldra zijn mandaat neder, voorts gevolmagtigde van Beijeren bij het provisioneel Centraal Bestuur van Duitschland, in 1849 generaalmajoor en gevolmagtigde bij de Bondscommissie en in 1850 gezant van den Bond aan de Hoven van Darmstadt, Cassel en Wiesbaden. In 1852 hervatte hij zijne vroegere betrekking van militair gevolmagtigde, en overleed te Frankfort den 2den November 1854.

— Zijn broeder schreef het bekende werk: „Das Heerwesen der Staaten des Deutschen Bundes”.

Laatst bijgewerkt 20-08-2018