Waaijen betekenis & definitie

Waaijen (Johannes van der), een Nederlandsch godgeleerde, geboren te Amsterdam den 12den Julij 1639, studeerde in de theologie te Utrecht en te Leiden en vervolgens aan onderscheidene buitenlandsche hoogescholen en werd achtervolgens predikant te Spaarndam, Leeuwarden en Middelburg. Nadat hij door den invloed eener kerkelijke partij uit Zeeland gebannen was, aanvaardde hij den 6den December 1677 een professoraat in de Hebreeuwsche taal en in de godgeleerdheid te Franeker en in 1679 de betrekking van académieprediker, terwijl hem eershalve het doctoraat in de theologie werd geschonken. In 1680 liet hij het onderwijs in de Hebreeuwsche taal varen en wijdde zich uitsluitend aan de godgeleerdheid.

Ook werd hij in dat jaar raadsheer van den Frieschen stadhouder en twee jaar daarna geschiedschrijver van Friesland, en overleed den 4den November 1701. Hij schreef o. a.: „Het lijden van Christus in Getsemané (1674 en later)”, — „De brief aan de Galaten kortelijk ontleed en verklaard (1682)”, — „Summa theologiae Christianae (1689)”, — „Varia Sacra (1693)", — en „Theologiae Christianae chiridion (1701)”. — zijn zoon Johannes, geboren te Middelburg den 2Osten October 1676, werd reeds op elfjarigen leeftijd als student ingeschreven, was eerst predikant te Midlum en zag zich in 1701 tot buitengewoon en in 1704 tot gewoon hoogleeraar te Franeker benoemd, waar hij den 8sten December 1719 overleed, — en zijn broeder Jacobus werd na zijne promotie in de regten burgemeester van Franeker en secretaris van de Admiraliteit te Harlingen. In 1688 aanvaardde hij de betrekking van grietman van Hemelumer Oldephaert, was lid van aanzienlijke staatscommissien, verbouwde de door hem bewoonde stins Grovestins te Koudum, bedijkte een polder onder Nijega, en overleed den lOden Januarij 1743.

Laatst bijgewerkt 20-08-2018