Venetië betekenis & definitie

Venetië (Venezia), te voren eene zelfstandige republiek in Opper-Italië, omvatte in den tijd van zijn grootsten bloei, behalve de stad zelve, het nabijgelegen vasteland van Italië, Istrië, het grootste gedeelte van Dalmatië en een aanzienlijk gedeelte van Slavonië, alsmede tijdelijk ook een gedeelte van Griekenland, Cyprus, Candia en de Ionische Eilanden, met eene bevolking van ongeveer 8 millioen zielen. Het Oostenrijksche Kroonland Venetië, het oostelijk gedeelte van het voormalig Lombardisch-Venetiaansch Koningrijk, besloeg het grootste gedeelte der voormalige Republiek, met uitzondering der buiten Italië gelegene gewesten, en kwam overeen met het tegenwoordig landschap Venetië (Compartimento Veneto) van het koningrijk Italië. Dit landschap omvat 8 provinciën, Belluno, Padua, Rovigo, Treviso, Udine, Venezia, Verona en Vicenza en telt op 426,13 ☐ geogr. mijl 2760594 inwoners (1876). Het grenst in het noorden aan Oostenrijk, in het westen aan het meer van Garda en aan Lombardije, in het zuiden aan Ferrara en in het oosten aan de Adriatische Zee en aan Oostenrijk.

In het noordwesten des lands verheffen zich de Trentsche Alpen, die in den Monte Baldo eene hoogte bereiken van 2050 Ned. el. Van deze en van de noordwaarts gelegene Carnische Alpen strekken bergtoppen zich uit in de Venetiaansche vlakte en dragen er de namen van Cadorische en Venetiaansche Alpen. Tusschen de Bacchiglione en de Frassine verrijzen er voorts twee alleenstaande berggroepen , namelijk de Bericische en de Euganéïsche Heuvels. De Adriatische Zee vormt er over eene kustlengte van 170 Ned. mijl de Golf van Venetië, en langs de kust vindt men er vele poelen en moerassen, met bevaarbare kanalen of lagunen, gedeeltelijk door duindammen (lidi) van de zee gescheiden. Deze lidi zijn gedeeltelijk door murazzi (muren van marmerblokken) versterkt, welke eene lengte hebben van 51/2 Ned. mijl. Op deze murazzi volgen zuidwaarts de kleine dijken van Chioggia. De voornaamste rivieren zijn er: de Po, over eene lengte van 130 Ned. mijl de grens naar de zijde van Ferrara vormend, en de Etsch (Adige) met de Frassine (Agno), — voorts: de Bacchiglione, de Brenta, de Sile, de Piave, de Livenza en de Tagliamento. Bergen en moerassen maken er omstreeks 1/3de des lands onvruchtbaar, maar langs de Po strekken heerlijke dreven zich uit.

Vooral de hoogten en laagten rondom het Meer van Garda vormen een waren Alpentuin. De bergen in het noorden zijn begroeid met uitgestrekte wouden, de villa’s door cypressen omgeven, en sumak tiert op de bergen van Verona. In de bosschen is weinig wild, maar men heeft er des te meer watervogels, en de zee levert er thonijnen, makrelen, sardijnen, oesters enz. Berucht zijn de vergiftige slangen van Padua en Monselice. De bodem bezit er een grooten rijkdom van kalksteen, krijt, gips, marmer, leemsoorten, porselein-aarde, zandsteen, bruin- en steenkolen, turf en zwavel, maar weinig metalen. Het Venetiaansch dialect, zich uitstrekkend tot aan de Mincio, is welluidender en beschaafder dan eenige andere tongval in Italië, ja, krachtiger en tevens liefelijker dan de Toscaansche. In Friaul heeft men nog Slawen, bijv. de inwoners van het Resia-dal, en in de groote steden, alsmede in de Sette Comuni (Vicenza) en in de Tredeci Comuni (aan de grenzen van Tyrol) vindt men ongeveer 50000 Duitschers. Daarenboven wonen er ruim 5000 Israëlieten, 500 Grieken en 600 Armeniërs.

De landbouw staat er niet op zoo hoogen trap van ontwikkeling als in Lombardije, en ook de tuinbouw is er alleen in de nabijheid der hoofdstad van belang. Meer werk maakt men er van den ooft- en wijnbouw; olijfboomen groeijen in de provinciën Verona en Vicenza, en moerbeziënboomen bijna overal. De beste wijnsoorten komen er van Padua, Verona en Udine, en de grootste hoeveelheid wijn levert Vicenza. Runderteelt en paardenfokkerij zijn er van gering gewigt, maar de schapenteelt bloeit op de Euganéïsche Heuvels. Aanzienlijk is er de rivier- en zeevisscherij, en de zijdeteelt levert er jaarlijks 150000 Ned. pond ruwe zijde. De handel, weleer te Venetië bloeijend, is door de ontdekking van Amerika en van den waterweg rondom de Kaap de Goede Hoop aanmerkelijk verminderd en thans slechts eene schaduw van dien van vroegeren tijd, daar de Republiek in 1420 niet minder dan 3340 koopvaardijschepen met 26000 matrozen bezat. Toch wordt er ook nu nog wegens de gunstige ligging, de voortreffelijke havens en de doelmatig aangelegde spoorwegen nog veel omgezet. De handel in het binnenland strekt zich uit naar Midden- en West-Europa, vooral naar het noorden van Italië, Tyrol, Zwitserland en langs den Brennerspoorweg naar Zuid-Duitschland.

De kusthandel onderhoudt er een levendig verkeer met de koopsteden op beide oevers van de Adriatische en gedeeltelijk ook van de Middellandsche Zee, inzonderheid met Triëst. De belangrijkste handel echter is er die op den Levant, — voorts ook die door het Suëz-kanaal op Indië. Daarenboven worden er handelsbetrekkingen onderhouden met Engeland, Frankrijk, Spanje, Portugal, de Barbarijsche Staten, Hamburg, Bremen, Nederland, Zweden en Noorwegen. De invoer had in 1876 in de stad Venetië eene waarde van 232,7 en de uitvoer eene van 181,5 millioen lire. Ingevoerd werden er vooral: granen en meel, geweven stoffen, zijde, olijvenolie en petroleum, hennep, koloniale waren, droogerijen, wijn en brandewijn, — uitgevoerd: geweven stoffen, zijde, olijvenolie en petroleum, hennep en koloniale waren.

Voorts komen er als invoer-artikelen in aanmerking: vee, metalen, brandhout, steenkolen, timmerhout, zuidvruchten, visch , porselein, huiden, tabak en kaas, — en als uitvoer artikelen: metalen, glas, glasparels, visch, vruchten, huiden, tabak, wijn en brandewijn. In 1876 bedroeg het aantal schepen, die er binnenkwamen en uitliepen, 5475, van welke 4130 tot de internationale scheepvaart en 1345 tot de kustvaart behoorden. Onder het gezamenlijk getal bevonden zich 1267 stoombooten. De scheepsruimte van al die vaartuigen te zamen is echter minder groot dan in de havens van Genua, Napels, Livorno, Messina en Palermo. In het kustgewest van Venetië, waar zich 9 havens bevinden, is intusschen alleen die van Chioggia daarenboven van eenig belang.

De provincie Venetië telt op nagenoeg 48 ☐ geogr. mijl omstreeks 340000 inwoners en is verdeeld in 7 districten. De ingezetenen bepalen er zich vooral bij scheepsbouw, het bereiden van asphalt en cement, het vervaardigen van glas en glazen voorwerpen, tabakskerverij, looijerij, zeepziederij, verwen, het maken van machines, van natuurkundige instrumenten, wapens, messen, spijkers, gouden zilverwerk, touwslagerij, zeilmakerij, kanten, zijden stoffen enz.

De stad Venetië, eene der schoonste en merkwaardigste steden van Europa, ligt in de lagunen 14 Ned. mijl van het vasteland verwijderd en hiermede door eene in 1845 voltooide brug verbonden, op 3 groote en 114 kleine eilanden, welke door 157 kanalen gescheiden en door 380 meestal steenen bruggen verbonden zijn. De stad heeft de gedaante van een driehoek met een omvang van 12 Ned. mijl en is verdeeld in 6 wijken. Van de kanalen noemen wij: het Canale Grande, 3470 Ned. el lang en 45—72 Ned. el breed, met eene schilderachtige kronkeling van het zuidoosten naar het noordwesten door de stad loopend, en het kanaal van Giudecca. De kanalen bekleeden er de plaats van straten, welke men er vruchteloos zoekt; men vindt er slechts een groot aantal (1900) naauwe stegen (calli), van welke de Merceria tusschen het St. Marcusplein en de Rialto-brug de drukste is. Langs vele heeft men smalle voetpaden bij de huizen, maar langs de meeste zijn deze uit het water opgetrokken. Van de bruggen vermelden wij de Rialtobrug, in 1588—1591 gebouwd, 47 Ned. el lang en 22 Ned. el breed, en bestaande uit één enkelen marmeren boog met eene spanning van 27 Ned. el en eene hoogte van 9l/2 Ned. el, — en de reeds vermelde spoorwegbrug ter lengte van 3596 Ned. el met 222 bogen. Het verkeer heeft er plaats door middel van gondels. De huizen zijn er meerendeels van gebakken steen gebouwd en hebben een deftig voorkomen; op de door dunne zuilen gedragen bogengangen verheffen zich zware massa’s, zonder vensters, maar met fraaie balcons versierd. De fondamenten rusten er op eiken palen, die door het slib 3—9 Ned. el in eene harde mergellaag zijn gedreven. Van de 41 pleinen verdient alleen het St. Marcusplein dezen naam. Het vormt een groot langwerpig vierkant, aan drie zijden door prachtige gebouwen omgeven en aan de vierde zijde afgesloten door de St. Marcuskerk; het is 176 Ned. el lang en 56—82 Ned. el breed en met marmer geplaveid. Daarmede is de Piazzetta of het kleine St. Marcusplein verbonden, 250 schreden lang en 80 breed, door paleizen met bogengangen omgeven en zich uitstrekkend tot aan de zee. Aan het zuidelijk einde der Piazzetta verheffen zich twee zuilen van graniet, ééne met een gevleugelden leeuw (den Leeuw van St. Marcus) en de andere met het marmeren standbeeld van den Heiligen Theodorus gekroond. De waterkant der Piazzetta strekt naar beide zijden zich verder uit in eene breede kade, welke oostwaarts leidt naar de Riva degli Schiavoni, westwaarts naar den Giardino reale en tegen den avond eene druk bezochte wandelplaats vormt. Op het St. Marcusplein, vóór de St. Marcuskerk, verheffen zich drie groote masten met koperen voetstukken van 1505, ter gedachtenis aan de verovering van Cyprus, Candia en Moréa. Aan den hoek van dit plein en van de Piazzetta verrijst een hooge, vierkante klokketoren (Campanile di San Marco) ter hoogte van 98,6 Ned. el, vanwaar men een ruim uitzigt heeft op de stad en hare omstreken. Hij is verbonden met een klein, sierlijk marmeren gebouw, de Loggetta, door Sansovino in 1540 gesticht. Twee zijden van het St. Marcusplein en ééne van de Piazzetta zijn ingenomen door de Procuratiën. De oude Procuratiën, aan de zijde van het St. Marcusplein, te voren de verblijven der Procuratoren van St. Marcus, doch thans particuliere woningen, hebben arcades met winkels en koffijhuizen en zijn op de hoogere verdiepingen met Corinthische zuilen en bogen versierd. Hierop volgt de klokketoren met een marmeren front. De nieuwe Procuratiën aan de overzijde, door Sansovino gebouwd en de bibliotheek van St. Marcus bevattend, hebben twee verdiepingen met Dorische en Ionische zuilen en pilasters, eene rijk versierde fries en een grooten rijkdom van ornamenten, evenals de eigenlijke Procurazie nuove, in 1584 door Scamozzi ontworpen, en dienen tot koninklijk paleis. Van de 99 R. Katholieke kerken is de SI. Marcuskerk de merkwaardigste; zij werd in 976—1071 in ByzantijnschRomaanschen stijl gebouwd, in de 14de eeuw met toevoegselen in spitsboogstijl versierd en in den jongsten tijd gerestaureerd. Volgens de sage vast er het stoffelijk overschot van den evangelist Marcus, in 828 uit Alexandrië derwaarts gebragt. Deze kerk heeft een prachtig front met 5 breede portalen en bonte mozaïeken op een gouden grond, een voorportaal met mozaïeken en de graven van onderscheidene dogen, 500 marmeren zuilen, kunstige bronzen deuren en 5 groote halve koepels; zij is van binnen 76,5 Ned. el lang en 52 Ned. el breed. De vloer is oud marmermozaïek, en het geheele gebouw rijk aan standbeelden en andere beeldhouwwerken, mozaïeken en kostbaarheden. Boven het hoofdportaal prijken vier antieke paarden van verguld brons; zij versierden, naar men meent, eerst den triomfboog van Nero, daarna dien van Trajanus te Rome, werden door Constantijn naar den Hippodromus te Constantinopel, na het veroveren van deze stad in 1206 naar Venetië, door de Franschen in 1797 naar Parijs en in 1815 weder op hunne tegenwoordige plaats gebragt. Van de overige kerken vermelden wij: San Francesco della Vigna, in 1534—1634 door Sansovino en Palladio gebouwd, met schilderijen van Veronese, Bellini enz., — San Giacomo, de oudste, reeds in de 5de eeuw gestichte kerk van Venetië bij de Rialtobrug, — San Giorgio Maggiore, eene koepelkerk van wit marmer, inwendig door Palladio, uitwendig door Scamozzi in de 16de eeuw voltooid, met schilderijen van Bassano, Tintoretio enz., — San Giovanni Crisostomo, in 1489 in renaissance-stijl verrezen, met schilderijen van Bellini, Palma Vecchio enz., — San Giovanni e Paolo, eene indrukwekkende kerk in spitsboogstijl, in 1240—1430 voor de Dominicanen gebouwd, met onderscheidene praalgraven van dogen, onder welke zich voortreffelijke kunstgewrochten bevinden, — San Giovanni Elemosinario (van 1527) met schilderijen van Titiaan, Pordenone enz., — Santa Maria Assunta dei Gesniti, uit de 18de eeuw, van binnen geheel met marmer bekleed, — Santa Maria del Carmine van 1290, met schilderijen van Tintoretto enz., — Santa Maria della Salute, eene koepelkerk van wit marmer (1630), met schilderijen van Titiaan enz., — Santa Maria del Orto, in spitsboogstijl uit de 15deeeuw, maar in 1850 gerestaureerd, met eene fraaije façade en schilderstukken van Cima, Palma Vecchio, Tintoretto enz., — Santa Maria Gloriosa ai Frari (1250—1280), in ouden spitsboogstijl, met de praalgraven van Titiaan, Canova, onderscheidene dogen enz., en altaarstukken van Titiaan, Bellini en anderen, — San Piétro di Castello (1595—1807), de hoofdkerk van den Patriarch, — II Redentore op het eiland Giudecea, een meesterstuk van Palladio, — San Rocco, uit de 15de eeuw, met schilderijen van Titiaan, Tintoretto enz., met het vergaderingsgebouw der broederschap van San Roceo, met 56 groote bijbelsche tafereelen van Titiaan, — San Salvatore, met schilderijen van Titiaan en Bellini, — San Sebastiano, met plafond- en altaarstukken van Veronese, — San Stefano uit de 14de eeuw, met fraaije praalgraven, — en San Zaccaria, den overgang aanwijzend van den spitsboogtot den renaissancestijl, met schilderijen van Bellini enz. Ook de Grieken, Armeniërs en Protestanten hebben er ieder eene kerk, en de Israëlieten 7 synagogen. Onder de wereldlijke gebouwen bekleedt het paleis der Dogen (Pallazzo ducale) de eerste plaats. Het is sedert zijne stichting in 809 tot vijfmaal toe verwoest; het tegenwoordig gebouw, in Moorsch-Gothischen stijl opgetrokken naar het ontwerp van Filippo Calendario, in de 14de eeuw begonnen, in de 15de en 16de voortgezet en in 1853 gerestaureerd, was oorspronkelijk de residentie van den Doge en later die van het Oostenrijksch bestuur, terwijl het thans voor plegtige staatsvergaderingen gebezigd wordt.

Het heeft gelijkgronds een open portaal met korte zuilen, sierlijke kapiteelen en ruime bogen, — daarboven eene loggia met het dubbel aantal bogen, en eindelijk een grootschen, van weinige spitsboogvensters voorzienen, met witte en roode marmeren platen bekleeden bovenbouw. In het binnenhof, door prachtige façades omsloten en met twee bronzen fonteinen versierd, verheft zich de marmeren Reuzentrap (Scala dei giganti), welke den hoofdingang vormt naar het binnengedeelte van het paleis. Zij is versierd met de groote standbeelden van Mars en Neptunus en in haar geheel een meesterstuk van bouwkunst. Op hare bovenste trede werden de dogen gekroond. Onder de 11 ruime zalen van dit paleis, welke met meesterstukken van Italiaansche schilders zijn versierd, schittert inzonderheid de Zaal van den Grooten Raad, thans dienende tot bewaarplaats der uitgebreide boekverzameling van St. Marcus (130000 boekdeelen en 20000 handschriften). Andere zalen bevatten de verzameling van oudheden en van munten. Men heeft er voorts de staatsgevangenissen der Republiek, de beruchte Piombi (onder het looden dak), alsmede de Ponte dei sospiri (Brug der Zuchten), naar eene andere staatsgevangenis voerend aan de overzijde van het kanaal. Tegenover het Paleis der Dogen, aan de Piazzetta, verheft zich de voormalige bibliotheek, thans met de belendende Procuratiën tot koninklijk paleis ingerigt, een meesterstuk van Sansovino, en ter regter zijde daarvan het sombere muntgebouw (la Zecca), desgelijks van Sansovino. Het arsenaal in het zuidoostelijk gedeelte der stad (in 1104 verrezen en later bij herhaling verbouwd) beslaat een geheel eiland en bevat scheepstimmerwerven, bassins, magazijnen, touwslagerijen, ankersmederijen, geschutgieterijen, wapens, zegeteekens enz.;het is door muren en vestingwerken omringd en was in den bloeitijd van Venetië de trots der Republiek. Toen waren er 6000 (thans 2000) werklieden bezig. Bij het portaal, dat den vorm heeft van een triomfboog, verheffen zich vier antieke marmeren leeuwen, in 1687 van den Piraeus te Athene derwaarts gebragt. Van de zes schouwburgen is het opera-théater Fenice, in 1836 verbouwd, een der grootste en schoonste van Italië. Van de overige openbare gebouwen en talrijke paleizen van aloude Venetiaansche geslachten (meestal aan het Canale Grande) noemen wij: het Palazzo Vendramin Calergi, het edelste en schoonste van alle paleizen (van 1481), — het Pallazzo Emo (Treves), met de marmeren standbeelden van Sector en Ajax (van Canova), — de Dogana di Mare (van 1667), — het Palazzo Corner della Ca Grande, een prachtig gebouw van Sansovino (1532), — het Palazzo Pisani, — het Palazza Grimani, met een klassieken gevel (1550), — het Palazzo Manin (thans bankgebouw), met eene fagade in renaissancestijl van Sansovino, — het Palazzo Correr, met het Museo civico, — het Palazzo Contarini-Fasan (in 1857 gerestaureerd), in spitsboogstijl, — het Palazzo Foscari, met een prachtig binnenhof, — het Palazzo Contarini delle Figure en het Palazzo Correr Spinelli, beide in vroegen renaissancestijl, — het Palazzo Farsetti, in den Venetiaanschen rondboogstijl der 124de eeuw, — het Palazzo dei Camerlenghi, thans de zetel van het Hof van appél, met een hoofdportaal in den vorm van een triomfboog, — het Fondaco dei Tedeschi (het Duitsche verkoophuis), uit de 13de eeuw, — en het Fondaco dei Turchi, het oudste wereldlijke gebouw, verrezen in 900.

Venetië is de zetel van een R. Katholieken patriarch en van een Armenischen aartsbisschop, van een Hoog geregtshof, van een hof van appél en van andere regtbanken, en van onderscheidene burgerlijke en militaire waardigheidbekleeders. Van de inrigtingen van kunsten en wetenschappen vermelden wij: de Académie van Schoone Kunsten, in 1807 opgerigt in een door Palladio in 1552 gebouwd klooster, met eene rijke verzameling van schilderijen, vooral van Italiaansche meesters (o. a. „De hemelvaart van Maria” van Titiaan, eene „Madonna” van Bellini, „Jezus aan tafel bij den tollenaar” van Veronese enz., te zamen 700 stukken) en collegiën voor onderscheidene afdeelingen van kunst, — 2 lycéa met muséa voor natuurlijke historie en botanischen tuin, een R. Katholiek gymnasium, eene hoogere handelsschool, eene zeevaartschool, eene verloskundige school, 2 technische scholen, een priesterseminarium met eene boekerij van 40000 deelen, onderscheidene collegiën en instituten tot opleiding van jongens en meisjes, de reeds genoemde bibliotheek van San Marco, een athenaeum ter bevordering van wetenschap en letterkunde, met eene bibliotheek en eene leerkamer, een koninklijk centraalarchief met 40 millioen nommers (met oirkonden van 833) in 300 vertrekken van een voormalig klooster en een conservatorium voor muziek. Met betrekking tot de voortbrengselen der kunst bekleedt Venetië eene waardige plaats naast Rome en Florence, hoewel zij grootendeels niet in muséa bijeengebragt, maar sterk verstrooid zijn. Wij vermelden behalve reeds genoemde schilderijenverzameling der Académie: het stedelijk muséum (Museo Correr) met beeldhouwwerken, schilderijen (vele van de oud-Venetiaansche school), handtekeningen, oude wapens, munten, zilveren en gouden voorwerpen enz., — de verzameling van munten en penningen in het Paleis van St. Marcus, — de schatten in de kerk van St. Marcus, — en de wapenverzameling in het Arsenaal. Tot de instellingen van weldadigheid behooren er: een burgerlijk hospitaal met 1600 bedden, een vondelingshuis, eene crèche, 6 bewaarscholen, 2 weeshuizen, onderscheidene verplegingsgestichten, eene Casa d’industria, eene Casa delle penitenti voor gevallen meisjes enz. Het aantal inwoners, in den bloeitijd 190000, bedraagt thans ruim 126000 (1876). Van de inrigtingen van nijverheid te Venetië vermelden wij: fabrieken van gouden en zilveren voorwerpen, zijdeweverijen , glasblazerijen, pottebakkerijen, looijerijen, lakenfabrieken, touwslagerijen, fabrieken van handschoenen, kunstbloemen, chemische praeparaten enz. Ook worden er vele schepen gebouwd. Venetië is eene der gewigtigste koopsteden aan de Adriatische Zee. De vrijhaven werd er in 1874 gesloten, maar in 1877 heeft men er een entrepot gesticht, hetwelk een gunstigen invloed heeft op den doorvoerhandel. In 1875 is er ook een nieuw dok geopend, en men bouwt er een tweede droogdok. Voorts heeft men er eene stazione maritima, waar de grootste stoombooten terstond hare lading op de spoorwegwagons kunnen overbrengen. Tot vóórhavens dienen er de Lido (voor kleine schepen) en de Malamocco, en men heeft er eene drukke stoombootverbinding met Triëst en den Levant. De spoorweg loopt er aan de eene zijde over Padua naar Verona en Milaan, naar Bologna, Ancona en Florence, naar Tyrol en Zuid-Duitschland, en aan de andere zijde over Udine naar Triëst. Venetië is tevens eene sterke vesting, aan de landzijde vooral beveiligd door het van moerassen omgeven fort Malghera. Ook de havens Lido en Malamocco zijn door forten versterkt. Tot wandelplaatsen dienen er de Giardini publici, in 1810 aangelegd, de bij het spoorwegstation gelegene Giardino Papadopoli en de Botanischen tuin, de tuin van het eiland San Giorgio Maggiore, de Lido met druk bezochte zeebaden enz.

Omtrent de geschiedenis van Venetië vermelden wij het volgende. Aan den noordwestelijken oever der Golf van Venetië woonden in de dagen der Oudheid de Veneters, waarschijnlijk afkomstig uit Illyrië; naar hen werd het land Venetia genaamd. Gedurende de groote volksverhuizing namen vele bewoners van het vaste land de vlugt naar de eilanden in de lagunen. Hunne kleine democratische gemeenten werden geregeerd door tribunen onder de souvereiniteit der eparchen van Ravenna. Om zich te beveiligen tegen de Longobarden en de Dalmatische zeeroovers, kozen de bewoners in 697, op raad van den aartsbisschop van Grado, Palucius Anafestus tot dux (doge) voor levenslang. Het oppergezag van den Griekschen Keizer werd bij voortduring erkend en eerst in de 11de eeuw door dat van den Roomsch-Duitschen Keizer vervangen. In het binnenland veroorzaakte de instelling van een doge de geleidelijke verandering der Republiek in eene aristocratische heerschappij. Onder den doge Orso ontrukten de Venetianen Ravenna aan de Longobarden.

Genoemde doge werd kort daarna vermoord (737), en na dien tijd stonden gedurende eenige jaren magistri militum aan het hoofd der zaken, totdat Teodato, een zoon van Orso, in 742 weder tot doge werd benoemd. Gedurende den strijd met de Frankische Koningen, bepaaldelijk met Pipijn, vestigden zich de bewoners meer en meer op de grootste en meest versterkte eilanden, inzonderheid op het Rialto (Rivus altus), Malamocco en Torcello, en op het eerstgenoemde verrees weldra eene volkrijke stad, werwaarts in 810 de zetel der regéring werd verplaatst. Onder den doge Giustiniano bragten Venetiaansche kooplieden het lijk van den apostel Marcus uit Alexandrië naar Venetië, hetwelk dezen als zijn beschermheilige aannam. Door uitgebreiden handel klom de welvaart, en oorlogen tegen de Noormannen en Saracenen in Beneden-Italië en tegen de Illyrische zeeroovers verhoogden de strijdbaarheid van den Staat. De heerschappij ter zee wekte bij de Dogen den wensch, hunne waardigheid tot eene erfelijke te verheffen. Reeds was zij bij afwisseling in het bezit van eenige weinige familiën, die door verbindtenissen met buitenlandsche vorstenhuizen haar gezag vermeerderden en door het benoemen van hunne zonen tot mederegenten een erfregt poogden te scheppen. Om die reden werd in 1032 eene wet uitgevaardigd, die den Doge verbood, een onder-doge (condux) naast zich te nemen, terwijl zijn gezag beperkt werd door de benoeming van twee raadsleden. In plaats van tribunen kwamen allengs regters (judices), wier vonnissen door den Doge moesten bekrachtigd worden.

Aan den doge Vitale Faliéri (Faledrus) werden door den Griekschen Keizer de steden van Dalmatië en Grieksch Istrië afgestaan, onder voorwaarde dat de Venetianen hem zouden ondersteunen tegen de Noormannen. Vooral de Kruistogten deden den handel en de heerschappij ter zee der Venetianen toenemen. De kooplieden verdienden schatten door de verzorging der Kruislegers, en de Staat verwierf in het Oosten vaste steunpunten voor de uitbreiding van zijn gezag. Maar terwijl de magt der Republiek in het buitenland toenam, voerde in het binnenland de aristocratie strijd met het volk en zocht de Doge zijne magt te vergrooten. Nadat in een daardoor veroorzaakt oproer de 38ste doge, Vitale Michiéle, in 1172 vermoord was, wijzigde men de grondwet in dien zin, dat men het hoogste gezag opdroeg aan eene jaarlijks uit de 6 wijken der stad te kiezen vertegenwoordiging der burgerij, namelijk aan 480 aanzienlijken (nobili), die als Groote Raad (Consiglio Maggiore) den Doge en zijn bestuurscollegie (ministérie) van 6 raadsleden (de Signoria) ter zijde stonden. Slechts in enkele gevallen werd eene volksvergadering (arengo) bijeengeroepen, om bij acclamatie hare goedkeuring aan belangrijke besluiten te geven. Een regtscollegie werd gevormd door de Veertigen (Quarantie), oor spronkelijk eene criminéle regtbank, maar allengs veranderd in een staatkundig ligchaam, tusschen de Signoria en den Grooten Raad geplaatst en over de voorstellen van eerstgenoemde beraadslagend. Aan het hoofd der Quarantie bevonden zich drie capi (oppersten), die later leden werden der Signoria. — In 1177 was Venetië de plaats der merkwaardige bijéénkomst van paus Alexander III en keizer Frederik I. De grootheid der Republiek als handeldrijvende mogendheid bereikte het toppunt onder den 41ste Doge, Enrico Dandolo.

Deze veroverde als bevelhebber der Venetiaansche vloot gedurende den vierden Kruistogt in 1203 Constantinopel, hielp het Latijnsche Keizerrijk stichten, dat aan de Venetianen de heerschappij in het Oosten bezorgde, en bemagtigde Candia, benevens onderscheidene andere eilanden. Naijver van de zijde van Genua deed een langdurigen oorlog ter zee ontstaan tusschen de beide republieken, waarbij Corfu in handen der Venetianen viel en Modon en Koron veroverd werden. Zeer schadelijk echter werd voor de Venetianen de herstelling van het Byzantijnsche Keizerrijk (1261), daar de Genuézen, die niet weinig tot den val van het Latijnsche Keizerrijk hadden medegewerkt, op het gebied van den Griekschen Keizer groote voorregten genoten en zich meester maakten van den handel op de Zwarte Zee. De Venetianen knoopten nu betrekkingen aan met de Arabische rijken, om hunne OostIndische waren uit Alexandrië te kunnen halen. De oorlog tusschen de beide handeldrijvende Republieken ontbrandde dan ook met nieuwe hevigheid. Na afwisselenden voorspoed werd de Venetiaansche vloot van 95 galeijen onder Andrea Dandolo in 1298 door de Genuézen bijna geheel vernietigd, waarop in het volgende jaar te Milaan de vrede gesloten werd. Onder den doge Piétro Gradenigo (1297) werd de aristocratisch-oligarchische constitutie ingevoerd door middel van het sluiten van den Grooten Raad (il serrar del Maggior Consiglio), doordien het voormalig, jaarlijks te kiezen collegie veranderd werd in eene geslotene club van erfelijk aristocraten; met deze laatsten bedoelde men de familiën der Nobili, in het Gouden Boek opgeschreven.

Ten gevolge van herhaalde zamenzweringen van den gekrenkten adel en van het volk (bijv. die van Tiepolo in 1310) werd in 1335 de Raad van Tien of die der Staats-inquisiteurs, met onbeperkte policiemagt bekleed en aanvankelijk slechts voor den tijd van twee maanden ingesteld, tot eene organische instelling der Republiek verheven. Hierdoor en door verdeeling der magt onder de heerschende adellijke geslachten, alsmede door onophoudelijke bespieding en verklikkerij werd het aristocratisch bestuur tegen alle aanvallen beveiligd. Onder Francesco Dandolo werd het landschap Treviso bij Venetië gevoegd, maar in een oorlog tegen Hongarije verloor het in 1358 de kusten van Dalmatië. Voorspoediger was de Republiek onder Andrea Contarini (1367—1382) in een oorlog tegen Padua. Ook Genua moest na eene worsteling van 139 jaren het onderspit delven, daar zijne vloot den 23sten December 1379 bij Chioggia vernietigd en zijn leger in Junij 1380 tot capitulatie gedwongen werd, waarna het in 1381 den Vrede van Turijn sloot en de opperheerschappij van Venetië ter zee erkende. Kort daarna (1287) kwam Corfu onder het gezag der Venetianen.

Met den Vrede met Genua neemt het glansrijkst tijdperk der geschiedenis van Venetië een aanvang. Vicenza, Verona, Bassano, Feltre, Belluno en Padua werden in 1404 en 1405, Friaul in 1421, Brescia en Bergamo in 1428, Cremona in 1448 en de eilanden Zante en Cephalonia in 1483 bestanddeelen van het Venetiaansch gebied, terwijl in 1489 de weduwe van den laatsten Koning van Cyprus ook dit eiland afstond aan de Republiek. Deze was rijk, magtig en geducht en hare ingezetenen schitterden door ongemeene beschaving op het gebied van kunst en wetenschap. Zoo nam de 16de eeuw een aanvang. Handel en nijverheid bloeiden, de uitgaven waren gering, en de regéring onderscheidde zich, buiten het gebied der politiek, door onbekrompenheid. De aristocratische regeringsvorm veroordeelde wel is waar het volk tot onmondigheid, maar verhoogde de vaderlandsliefde, den ijver en de staatsmanswijsheid van den adel. Tegelijk met de weelde nam er echter ook de verdorvenheid op eene schromelijke wijze toe. De eerste staatsdienaars hielden speelbanken, en de heerschappij van het geld kende geene grenzen.

Zoowel daardoor als door onvermijdelijke bijkomende omstandigheden begon de Staat ten val te neigen. Door de ontdekking van den waterweg naar Oost-Indië (1498) verloor Venetië een aanzienlijk gedeelte van zijn handel, en de Osmanen bemagtigden na de verovering van Constantinopel al zijne bezittingen in den Archipel en op Morea, alsmede Albanië en Negroponte. De Republiek zocht deze verliezen door uitbreiding van haar gebied op het vaste land en door vermeerdering van haren invloed in Italië te vergoeden, — en niet zonder uitstekend gevolg. Inmiddels wekte zij door hare aanvallende staatkunde, door haren overmoed en door hare aanmatiging den tegenstand van andere mogendheden, die omstreeks het jaar 1500 oorlog voerden om het bezit van Italië. De Liga, den 10den December 1508 te Cambrai gesloten tusschen den Paus, den Keizer en de Koningen van Frankrijk en van Aragon, bedoelde enkel de vernietiging der Venetiaansche Republiek. Het gelukte echter aan laatstgenoemde, hare vijanden van elkander te verwijderen door den 5den October 1511 de Heilige Liga en den 14den Maart 1513 een verbond met Frankrijk tot stand te brengen. Toen eindelijk den 15den Januarij 1517 de vrede gesloten werd, kreeg Venetië het verloren Verona terug, maar moest Cremona, de oevers der Adda en Romagna missen; ook bleven Roveredo, Riva en Gradisca in de magt des Keizers. Voor zijne deelneming aan den oorlog van den Paus en Karel V tegen de Turken moest Venetië bij den vrede van Mei 1510 boeten met het verlies van de eilanden Scio, Palmosa, Cesina, Nio en Paros, van de steden Malvasia en Nauplia en met de betaling van 300000 ducaten.

Daarop volgde een tijdperk van rust, dat zeer bevorderlijk was voor de ontwikkeling der kunst. Daar de Osmanen in 1571 het eiland Cyprus veroverden, voegde zich Venetië bij de door den Paus tot stand gebragte liga en zijne vloot nam deel aan den slag bij Lepanto. In 1645 ontbrandde een nieuwe oorlog tegen de Porte wegens het bezit van Candia, die eerst in 1669, in weerwil van eene schitterende zegepraal van den Venetiaanschen veldheer Francesco Morosini, met het verlies van dit eiland eindigde. Eerst de nederlaag der Turken vóór Weenen in 1683 schonk aan de Republiek weder moed, om met Oostenrijk, Polen en Rusland een verbond tegen de Porte te sluiten. Francesco Morosini streed voorspoedig, doch Venetië verkreeg bij den Vrede van Carlowitz in 1699 slechts Morea, de eilanden Aegina en Santa Maura, voorts Castelnuovo aan het kanaal van Cattaro en eenige plaatsen in Dalmatië. Venetië nam geen deel aan den Spaanschen Successie-oorlog, en toch had het veel van de Oostenrijksche en Fransche troepen te lijden. Na een nieuwen oorlog tegen Turkije verloor het bij den Vrede van Passarowitz (Julij, 1718) Morea, maar behield Corfu en Dalmatië. Na dien tijd trad de Republiek in de Staatkundige aangelegenheden van Europa niet weder op den vóórgrond.

In 1722 beliep het aantal haar inwoners 21/2 millioen, — voorts bedroegen hare inkomsten 6, hare schulden 28 millioen ducaten. Gedurende den oorlog van keizer Karel VI tegen de Turken (1736— 1739) bepaalde zich Venetië tot het beschermen van zijn handel tegen de Berberijsche zeeroovers, maar verkeerde tevens in gedurige onéénigheid met de Porte; daarenboven moest het de veiligheid zijner vlag koopen door het betalen van schatting aan de Staten van Berberije. Zijne weifelende houding gedurende den storm, die na het uitbarsten der Fransche Revolutie Italië teisterde, bragt de de Republiek aan den rand des verderfs. Hare onzijdigheid was zwak en van twijfelachtigen aard. Een verbond, waartoe Frankrijk in 1796 haar aanzocht, wees zij van de hand, terwijl op dat oogenblik nieuwe Oostenrijksche troepen tegen Italië te velde trokken, en zij begunstigde den gewapenden opstand des volks op de Terra ferma, toen Bonaparte een inval deed in Stiermarken.

Zoodra laatstgenoemde in Mei 1797 haar den oorlog verklaarde, poogde men den overwinnaar daardoor te verzoenen, dat de Groote Raad afstand deed van de erfelijke regten der aristocratie, de souvereiniteit nederlegde en deze toevertrouwde aan de burgers en alzoo de aristocratische grondwet na een bestaan van 14 eeuwen in eene democratische veranderde. De laatste doge, Luigi Manin deed op den 12denMei 1797 afstand van zijne waardigheid, en den 16den van die maand trokken 3000 Franschen in Venetië, dat nog nooit door vijandelijke troepen betreden was. Een Voorloopig Bewind van 60 leden verving den Grooten Raad, en den 4den Junij werd aan den voet van den vrijheidsboom het Gouden Boek verbrand. Intusschen werd bij den Vrede van Campo Formio het geheele gebied aan deze zijde van de Adige met Dalmatië en Cattaro aan Oostenrijk afgestaan en het gedeelte aan de overzijde van de Adige aan de Cis-Alpijnsche Republiek (later koningrijk Italië) toegevoegd en bij den Vrede van Preszburg (26 December 1805) vergroot met het Oostenrijksch gedeelte van Venetië en Dalmatië. Na den Vrede van Weenen (1809) werden de beide departementen Passerino (hoofdstad Udine) en Istrië (hoofdstad Capo d’ Istria) bij de Illyrische provinciën van Frankrijk gevoegd, en bij den Eersten Vrede van Parijs (1814) werd Venetië met zijn gebied wederom onderworpen aan Oostenrijk, dat nu de Italiaansche provinciën tot een Lombardisch Venetiaansch Koningrijk (zie aldaar) vereenigde.

De volksbewegingen in Italië in 1847 werden ook in Venetië met geestdrift begroet. De advocaat Daniël Manin en Tommaseo leverden verzoekschriften in bij de regéring, waarin zij wezen op talrijke gebreken van het bestuur en den wensch naar verbetering deden hooren. Men antwoordde met de vermetele verzoekers in hechtenis te nemen (18 January 1848) en den staat van beleg af te kondigen. Toch ontstonden er oproerige volksdemonstratiën en bloedige botsingen tusschen de soldaten en de menigte. Den 22sten Maart bestormde het volk het arsenaal en noodzaakte den kommandant der stad, graaf Zichy, tot een verdrag, waarbij zonder slag of stoot de burgerlijke en militaire regéring der Oostenrijkers afgezet, de verwijdering van alle nietItaliaansche troepen toegezegd en de stad met al haar oorlogsmaterieel in handen der opstandelingen geleverd werd. Tevens ontstond er een Voorloopig Bewind, en den 23sten Maart werd de republiek San Marco afgekondigd, aan wier hoofd zich Manin bevond als eerste minister. Den 3den Julij vergaderde de Assemblea, door dit bewind bijééngeroepen, en verklaarde zich vóór de aansluiting aan Piémont, waarna Manin het bestuur nederlegde en vervangen werd door een nieuw ministérie met Castelli aan het hoofd. De tegenspoed der Piémontézen echter schonk nieuwe kracht aan de republikeinsche partij.

Op den llden Augustus barstte er weder een opstand uit, zoodat het bestuur ontslagen, de Piémontésche krijgsmagt verwijderd, en Manin met het dictatorschap bekleed werd. De geweldige tegenstand der vurige radicalen noodzaakte Manin, eene nieuwe permanente (constituérende en legislative) Assemblea bijéên te roepen. Deze, den 15den Februarij 1849 geopend, bevestigde de dictatuur, die echter den 3denMaart ten gevolge van een oploop afgeschaft en door een verantwoordelijk ministérie vervangen werd. Met 108 tegen 2 stemmen werd Manin tot voorzitter van het nieuwe bewind benoemd en alzoo met de uitvoerende magt bekleed. Nadat de Piémontézen wederom de nederlaag hadden geleden bij Novara, eischte de Oostenrijksche generaal Haynau als bevelhebber van het belegeringskorps de stad op, maar de Assemblea, door Manin aangespoord, nam het besluit, de stad tot het uiterste te verdedigen. Na een geweldig bombardement viel het fort Malghera in handen der Oostenrijkers. Om de stad te beveiligen, deed Manin de Lagunenbrug afbreken en 6—8 bogen van dat meesterstuk van bouwkunde in de lucht vliegen. Toenemend gebrek en het woeden der chólera dwongen hem tot onderhandelingen, en den 23sten Augustus gaf de stad zich over op zeer gematigde voorwaarden.

Aan alle republikeinsche troepen en aan alle inwoners werd een vrije aftogt toegestaan, en slechts een veertigtal volksmenners zou vóór de komst der Oostenrijkers de stad verlaten. Op den 30sten Augustus 1849 trok Radetsky er binnen. Venetië verloor zijne vrijhaven, en herkreeg deze eerst in Julij 1851. De staat van beleg werd den lsten Mei 1854 opgeheven. In den Italiaanschen oorlog van 1859 koesterde men de bedoeling, Venetië aan de Oostenrijkers te ontrukken, maar de Vrede van Villafranca verijdelde dat voornemen, en in weerwil van zijne geldelijke ongelegenheid weigerde Oostenrijk, dat gebied tegen eene aanzienlijke som aan Italië af te staan. Het handhaafde zijn gezag door de overwinning bij Custozza (1866), en eerst na den slag van Königgratz stond het Venetië af aan keizer Napoleon I, die het toe wees aan het koningrijk Italië. Nadat de Oostenrijkers den 8sten October het land ontruimd hadden en het volk op den 22sten van die maand zich met nagenoeg algemeene stemmen vóór eene aansluiting aan Italië verklaard had, werd Venetië in dat koningrijk ingelijfd, zoodat Victor Emanuël er den 7den November 1866 zijn intogt hield.