Ibrahim-pasja betekenis & definitie

Ibrahim-pasja, een aangenomen zoon van Mehemed-Ali (onderkoning van Egypte), werd geboren in 1789 en gaf doorslaande blijken van zijn veldheerstalent in den oorlog tegen de oproerige Wechabieten, die hij in 1819 tot onderwerping bragt, en vervolgens in Sennaar en Darfoer, waar hij desgelijks de overhand behield.

Aan het hoofd van een Egyptisch leger deed hij in Februarij 1825 een inval in Moréa, om Griekenland voor Mehemed-Ali te veroveren, doch het tractaat der Groote Mogendheden, in 1828 gesloten, noodzaakte hem dat plan te laten varen.

Toen na den Vrede van Adrianopel (1829) Mehemed-Ali het voornemen opvatte om Syrië tot een voormuur te maken voor het nieuwe Egyptisch-Cretensische rijk, ontving Ibrahim den last om die zaak met het zwaard tot een goed einde te brengen. Den 29sten October 1831 overschreed hij met een leger te lande de grenzen van Egypte, bezette in korten tijd Palaestina, nam in Mei 1832 St. Jean d’Acre stormenderhand in, maakte zich vervolgens met verrassenden spoed meester van geheel Syrië, en versloeg de Turken achtervolgens bij Homs, Beilan en Konieh, totdat de landing der Russen in de Bosporus perken stelde aan zijn zegetogt. Door tusschenkomst der Groote Mogendheden nam de oorlog een einde, waarna de Porte niet alleen Syrië afstond (4 Mei 1833), maar ook het district Adana aan Ibrahim in pacht gaf. Terwijl laatstgenoemde zich met de organisatie der pasverkregen gewesten bezig hield, barstte er een opstand uit, zoodat zijn vader hem te hulp moest snellen.

Wél werd in schijn de rust hersteld, maar aan het volk moesten belangrijke voorregten toegestaan worden. Behalve de onlusten in Syrië, welke vooral wegens de aldaar door Ibrahim ingevoerde conscriptie ontstonden, bleef ook de spanning tusschen Mehemed-Ali en sultan Mahmoud II voortduren, en in April 1839 verscheen een Turksch leger, onder aanvoering van Hafiz, op Syrisch-Egyptisch gebied. Ibrahim trok aanvankelijk terug, doch aanvaardde den 24sten junij bij Nisib den slag, waarin het Turksche leger geheel en al vernietigd werd. Nogmaals echter verhinderde de tusschenkomst der Europésche Mogendheden Ibrahim-pasja om gebruik te maken van zijne overwinning.

Toen eindelijk in den zomer van 1840 eene Engelsch-Oostenrijksche vloot nabij de Syrische kust verscheen, de havensteden veroverde, de bergvolken tot opstand aanspoorde en de Egyptenaren eerlang uit alle vaste plaatsen aan zee verdreef, geraakte Ibrahim in een benarden toestand en zag zich genoodzaakt tot den terugtogt naar Egypte. Van Damascus trok hij door de woestijn en had daarbij met ongelooflijke bezwaren te worstelen. Na dien tijd hield zich Ibrahim, althans in schijn, op den achtergrond en bemoeide zich alleen met het landbouwbedrijf op zijne goederen. Mehemed-Ali, die er belang in stelde, een krachtigen opvolger te bezitten, had reeds lang door geheime overeenkomsten met de Porte gezorgd, dat Ibrahim erfgenaam zou wezen van zijn troon.

Zoodra voorts Mehemed-Ali oud werd en ongeschikt voor de regéring, trad Ibrahim meer en meer op den voorgrond als bestuurder des lands, en toen de oude Pasja in 1848 tot krankzinnigheid verviel, reisde Ibrahim naar Constantinopel en werd er in Julij met de waardigheid van onderkoning bekleed. Hij overleed echter te Cairo reeds den 9den November daaraanvolgende, en is opgevolgd, met voorbijgang zijner nakomelingen, door Abbaspasja, een kleinzoon van Mehemed-Ali, welke laatste in 1849 stierf.

Laatst bijgewerkt 08-08-2018