Haase betekenis & definitie

Haase. Onder dezen naam vermelden wij: Heinrich Gottlob Friedrich Christian Haase, een verdienstelijk Duitsch letterkundige. Hij werd geboren te Magdeburg den I4den Januarij 1808, studeerde te Halle, Greifswald en Berlijn in de letteren, vestigde zich als leeraar te Berlijn en te Charlottenburg en zag zich in 1834 verplaatst als adjunct naar Schulpforta. Als betrokken in de studentenvereenigingen, werd hij in 1835 van zijn ambt ontzet en in 1836 tot eene 6-jarige vestingstraf veroordeeld, doch hij kwam na een jaar weder op vrije voeten. In het najaar van 1837 begaf hij zich naar Halle, en verzamelde voorts op eene wetenschappelijke reis te Parijs, Heidelberg, Straatsburg en Bern vele bouwstoffen voor de uitgave van Grieksche en Romeinsche geschriften over krijgsaangelegenheden.

Na zijn terugkeer in 1840 zag hij zich benoemd tot buitengewoon hoogleeraar, en in 1841 werd hij lid van de wetenschappelijke commissie van onderzoek voor Silezië en Posen aan de universiteit te Breslau. Uit die commissie nam hij echter in 1847 zijn ontslag, omdat het ministérie Eichhorn steeds hindernissen opwierp tegen zijne plannen tot verbetering der gymnasia. Velerlei oneenigheden hadden ook zijne benoeming tot gewoon hoogleeraar vertraagd tot in 1846. Ijverig nam hij deel aan de gebeurtenissen van 1848, werd als volksvertegenwoordiger afgevaardigd naar de Nationale Vergadering te Berlijn, en voegde er zich bij het linker centrum. Tegen het einde van 1851 werd hij hoogleeraar in de welsprekendheid en mededirecteur van het seminarium voor letterkunde. Hij overleed te Breslau den 14den Augustus 1867. Behalve talrijke opstellen in tijdschriften leverde hij uitgaven van Xenophon's geschrift „De republica Lacedaemoniorum (1833)”, — van „Thucydides (1840)”, — van de „Historia Romana” van Vellejus Paterculus (1851 en 1858), — van de werken van Seneca (1852—1853, 3 dln), — en van die van Tacitus (1855, 2 dln). Belangrijk is voorts zijn geschrift: „Die athenische Stammverfassung (1857)”.

Friedrich Haase, een uitstekend Duitsch tooneelspeler. Hij werd geboren te Berlijn den lsten November 1826, ontving eene wetenschappelijke opleiding, en werd, op last van koning Friedrich Wilhelm IV, door Tieck in de tooneelkunst onderwezen. Hij betrad het tooneel het eerst te Weimar, vervulde eene gastrol aan den Hof-schouwburg te Berlijn, wees een engagement aldaar van de hand, en begaf zich naar Praag, waar hij van 1850 tot 1852 de lieveling werd van het publiek. Hij verbond zich daarna aan den schouwburg te München, vervolgens aan dien te Frankfort, waar hij 2 jaar vertoefde, en toen aan dien te Petersburg, waar hij 5 jaar bleef, terwijl hij zijne verloftijden gebruikte, om elders gastrollen te vervullen, — tot zelfs in New-York. In 1869 ontving hij eene aanstelling aan den Hof-schouwburg te Berlijn, maar begaf zich in 1870 naar Leipzig, om zich hier met het bestuur van den stadsschouwburg te belasten. De rollen, waarin hij den meesten roem behaald heeft, zijn die van Hamlet, Bolingbroke, Marinelli, Carlos (in „Clavigo), Frans Moor, graaf Klingsberg (de Vader), Cromwell, graaf Thorane (in „Königslieutenant”), Lodewijk XI, Richard III, Shylock, enz.

Laatst bijgewerkt 08-08-2018