Haas betekenis & definitie

Haas (De). De Hazen (Leporidae) vormen eene familie uit de orde der Knaagdieren (Glires). Zij bevat vreesachtige, van planten levende dieren, welke, behalve in NieuwHolland, over den geheelen aardbodem verspreid zijn. Zij hebben voorpooten met 5 en achterpooten met 4 teenen, een korten staart of geen staart, 4 snijtanden en achter de 2 bovenste nog 2 kleinere.

Tot het geslacht der hazen (Lepus) behooren 31 soorten. Hunne achterpooten zijn dubbel zoo lang als de voorpooten, hunne ooren zoo lang als de kop; zij hebben eene gespletene bovenlip, een onvolkomen sleutelbeen en een korten, opstaanden staart. Het eigenaardige van het gebit der hazen is in flg. 1 voorgesteld.

In Midden-Europa bevinden zich 2 soorten van hazen, namelijk de gewone haas (L. timidus L.) en de sneeuwhaas (L. variabilis), die de hooge bergstreken der Alpen, Pyreneën en Caucasische reuzengevaarten bewoont. Deze laatste wordt des winters geheel wit, kleedt zich echter des zomers in het grijze gewaad van den gewonen haas, maar behoudt ook dan den witten staart. Tevens heeft hij kortere ooren dan de gewone haas. In beider levenswijs en voortplanting ontwaart men geen verschil.

De haas verbergt zich bij dag veelal in zijn leger, dat hij tusschen struiken en aardkluiten zoodanig kiest, dat hij tegen den wind en zooveel mogelijk tegen vervolging beveiligd is.

In den winter zoekt hij de zon, in den zomer de schaduw. Bij het geringste geritsel ontwaakt hij uit zijn slaap. Bemerkt hij onraad, dan rigt hij zich op, om oplettend rond te zien en te luisteren, en dreigt eenig gevaar, dan begeeft hij zich ijlings op de vlugt, waarbij de lange achterpooten hem goede diensten bewijzen. Zelden volgt hij hierbij de regte lijn, maar zoekt door verandering van rigting zijne vervolgers te misleiden. Is een hond hem op de hielen, dan laat hij dezen gaarne voorbijschieten, om den onderlingen afstand te vergrooten. Dan eerst, wanneer een hond hem aangrijpt, doet hij een klagend geschreeuw hooren. Bij het vallen van den avond verlaat hij zijn leger, om voedsel te zoeken. Het jonge graan, koolbladeren enz. behooren tot zijne geliefkoosde spijzen.

Hij veroorzaakt alzoo den landbouwer groote schade, en toch heeft deze, zonder acte, niet het regt, om zulke roovers te dooden of te vangen. De hazen vermenigvuldigen zich zeer sterk; het wijfje, in Januarij parende, brengt eene maand later 5 jongen ter wereld, en ook deze kunnen nog werpen in hetzelfde jaar, terwijl eerstvermeld wijfje voorts bij herhaling in dat jaar aan een 5-tal het leven kan schenken. Zij worden 8 of 10 jaar oud, en hun getal zou verbazend groot worden, indien zij niet zoo vele vijanden hadden. Alle roofdieren — van den wolf tot het hermelijntje, van den adelaar tot den valk — voeden zich gaarne met oude en jonge hazen. Ook de mensch is zeer gesteld op het vleesch van den haas, en velen maken er een genoegen van, zelven die vlugge, vreesachtige diertjes met een vuurwapen te dooden of door windhonden te doen grijpen. In bijgaande figuur is de gewone haas (L. timidus L.) voorgesteld.

De Haas is voorts een klein sterrebeeld ten zuiden van 0rion. Het is kenbaar aan 2 onregelmatige vierhoeken, die schuins onder elkander en beide beneden Rigel staan. Van den ondersten vierhoek zijn de westelijkste 2 sterren van de 3de en de oostelijkste 2 van de 4de grootte. Tot dit sterrebeeld behooren 16 sterren, welke voor het ongewapend oog zigtbaar zijn.

Laatst bijgewerkt 08-08-2018