vier betekenis & definitie

vier - Hoofdtelwoord
1. het getal tussen de drie en de vijf, in Arabische cijfers 4, in Romeinse cijfers IV

vier - Zelfstandignaamwoord
1. het getal 4.

vier - Werkwoord
1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vieren
♢ Ik vier
2. gebiedende wijs van vieren
vier!
3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vieren
vier je?

Uitdrukkingen en gezegden
♦ Iemand onder vier ogen spreken
praten met iemand zonder dat anderen erbij zijn
vier op een rij