Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

Gepubliceerd op 01-11-2017

2017-11-01

tet

betekenis & definitie

tet - Zelfstandignaamwoord
1. (Jiddisch-Hebreeuws) negende letter van het alfabet
2. (Jiddisch-Hebreeuws) getal negen

tet - Zelfstandignaamwoord
1. (informeel) (Vlaanderen) borst, tiet

Woordherkomst
(f): Hebreeuws: טי״ת|טֵי״ת (tet)
(m) / (f): herkomst: Indo-Europees, precieze oorsprong onzeker, maar vermoedelijk te maken met 'zuigen'. Engels tit, Saterfries Tit, Noord-Nederlands tiet, Duits Zitze, Titte, Zweeds tutte, Latijn titta, Italiaans tetta, Frans tette, Spaans en Portugees teta, Roemeens țâță, Russisch ти́тька ‎(títʹka), Oekraïens ци́цька (cýcʹka) Pools cyc, Tsjechisch cecek, Bulgaars ци́ца ‎(cíca).

Verwante begrippen
tes (Jiddisch), tiet