constructie betekenis & definitie

constructie - Zelfstandignaamwoord
1. het in elkaar zetten of produceren van iets
    ♢ Bij de constructie van auto's worden grote hoeveelheden spoelwater gebruikt bij de oppervlaktebehandeling.
    ♢ De constructie van het verleden.
2. (bouwkunde) een bouwkundige (dragende) samenstelling van bouwmateriaal|bouwmaterialen (die verantwoordelijk is voor de stabiliteit van het bouwwerk)
    ♢ Een constructie van baksteen.
3. (techniek) iets dat uit mechanische onderdelen is opgebouwd
    ♢ Een gelaste constructie.
4. (juridisch) juridische ~ een specifieke manier van regelgeving of foefje b.v. een beschermingsconstructie, sale-and-lease-backconstructie, u-bochtconstructie of een sterfhuisconstructie
5. (sociologie) (filosofie) een naar een stel ideeën samengesteld geheel
6. (taalkunde) de opbouw van een zin of literair werk b.v. zinsconstructie

Woordherkomst
afgeleid van het Franse construction of daarvoor van het Latijnse 'cōnstructiō' (met het voorvoegsel con-)
waarschijnlijk niet Naamwoord van handeling van construeren met het achtervoegsel -tie

Synoniemen
[1] bouw, aanleg, opbouw
[2] bouwconstructie, bouwwerk, bouwsel, gebouw, opbouw
[3-6] samenstelling, structuur

Antoniemen
deconstructie

Verwante begrippen
bouwsel, bouwwerk, construeren, construct, samenstelkaar zetten of produceren van iets
    ♢ Bij de constructie van auto's worden grote hoeveelheden spoelwater gebruikt bij de oppervlaktebehandeling.
    ♢ De constructie van het verleden.
2. (bouwkunde) een bouwkundige (dragende) samenstelling van bouwmateriaal|bouwmaterialen (die verantwoordelijk is voor de stabiliteit van het bouwwerk)
    ♢ Een constructie van baksteen.
3. (techniek) iets dat uit mechanische onderdelen is opgebouwd
    ♢ Een gelaste constructie.
4. (juridisch) juridische ~ een specifieke manier van regelgeving of foefje b.v. een beschermingsconstructie, sale-and-lease-backconstructie, u-bochtconstructie of een sterfhuisconstructie
5. (sociologie) (filosofie) een naar een stel ideeën samengesteld geheel
6. (taalkunde) de opbouw van een zin of literair werk b.v. zinsconstructie

Woordherkomst
afgeleid van het Franse construction of daarvoor van het Latijnse 'cōnstructiō' (met het voorvoegsel con-)
waarschijnlijk niet Naamwoord van handeling van construeren met het achtervoegsel -tie

Synoniemen
[1] bouw, aanleg, opbouw
[2] bouwconstructie, bouwwerk, bouwsel, gebouw, opbouw
[3-6] samenstelling, structuur

Antoniemen
deconstructie

Verwante begrippen
bouwsel, bouwwerk, construeren, construct, samenstelling

Gepubliceerd op 03-10-2017