Vivat

Schrijver op Ensie

Gepubliceerd op 19-01-2021

Afwezigheid

betekenis & definitie

(Lat.: absentia, Fransch: absence, Duitsch: Abwesenheit; Eng.: absence) in rechten het niet verschijnen op eene dagvaarding. Indien de beklaagde in correctioneele zaken, of de gedaagde ter zake van politieovertredingen, in gebreke blijft op de aan hem gedane dagvaarding ter terechtzitting te verschijnen, of zich, in de gevallen door de wet voorzien, door oenen advokaat of procureur of door een gemachtigde te laten verdedigen, wordt tegen denzelve verstek verleend en dadelijk overgegaan tot het onderzoek en de berechting, overeenkomstig de voorschriften betreffende het rechtsgeding wegens politie-overtredingen.

Het vonnis, bij verstek gewezen, moet aan den veroordeelde in persoon, of te zijner woonplaats, of indien de woonplaats niet bekend is, aan deszelfs laatste verblijf worden beteekend (zie Verstek). Wanneer een beklaagde, tegen wien ter zake van een misdrijf, waartegen onteerende straf is bedreigd, een bevel van gevangenneming of van dagvaarding in persoon is verleend geworden, niet mocht hebben kunnen worden achterhaald en gevangen genomen, of niet voor den rechter-commissaris mocht hebben kunnen worden gebracht, zal de voorloopige instructie der zaak niettemin worden voortgezet en ten einde gebracht, overeenkomstig de betrekkelijke voorschriften betreffende het verleenen van rechtsingang en het onderzoek van strafzaken. De beteekening der stukken (het arrest van het hof en de acte van beschuldiging) mitsgaders der lijst van getuigen, geschiedt, op bevel van den procureur-generaal, door een deurwaarder aan de woonplaats, of wanneer die niet bekend is, aan het laatste verblijf van den beschuldigde, en wordt aldaar afschrift gelaten.Indien iemand zijne woonplaats heeft verlaten, zonder volmacht tot het waarnemen zijner zaken en belangen, of orde op het beheer derzelve gesteld te hebben, of wel indien de door hem gegeven volmacht is vervallen, en indien er noodzakelijkheid is om in dat beheer, geheel of gedeeltelijk te voorzien, of hem te doen vertegenwoordigen, zal, op verzoek van belanghebbenden, of ook van het openbaar ministerie, door de rechtbank van de woonplaats des afwezigen, een bewindvoerder worden benoemd om zijn goederen en belangen, geheel of gedeeltelijk, te beheeren en waar te nemen, voor zijne rechten op te komen, en hem daarbij te vertegenwoordigen.

Indien iemand zijne woonplaats heeft verlaten, zonder volmacht tot het waarnemen van zijn zaken gegeven, of orde op het beheer van dezelve gesteld te hebben, en wanneer vijf jaren zijn verloopen na zijn vertrek of na de laatste tijding (10 jaren bij welachterlating van bedoelde volmacht enz., 3 jaren als de afwezige blijkt behoord te hebben tot de bemanning of de passagiers van een schip, 1 jaar wanneer de afwezige vermist is ter gelegenheid eener noodlottige gebeurtenis op ’s lands kusten, buitenlandsche wateren), waaruit kon blijken dat hij in leven was, zonder dat in die vijf jaren bewijs is ingekomen van zijn aanwezen of van zijn overlijden, om het even of er voorloopige voorzieningen zijn bevolen dan niet, zal zoodanige afwezige, ten verzoeke van belanghebbenden, op daartoe bekomen verlof van de rechtbank zijner verlatene woonplaats, voor diezelfde rechtbank kunnen worden opgeroepen, bij een openbare dagvaarding, loopende op een termijn van drie maanden, of zooveel langer als door de rechtbank mocht worden bevolen. Wanneer op die dagvaarding noch de afwezige noch iemand voor hem, opkomt, die van zijn aanwezen doet blijken, zal verlof tot een tweede dergelijke dagvaarding, en op deze tweede, in het geval als voren, verlof tot een derde dergelijke dagvaarding worden verleend. Deze dagvaardingen moeten telkens worden geplaatst in zoodanige nieuwspapieren als de rechtbank bij het verleenen van het eerste verlof uitdrukkelijk zal aanwijzen, en ook telkens worden aangeplakt. Indien op de derde dagvaarding noch de afwezige, noch iemand voor hem is opgekomen, die behoorlijk van zijn aanwezen doet blijken, kan door de rechtbank, op daartoe gedanen eisch, na verhoor van het openbaar ministerie, worden verklaard, dat er rechtsvermoeden van overlijden bestaat, sedert den dag nadat de afwezige kan worden gerekend zijne woonplaats te hebben verlaten, of na de laatste tijding van zijn leven, en welke dag bepaaldelijk in het vonnis moet worden uitgedrukt. De verklaring van vermoedelijk overlijden moet algemeen worden bekend gemaakt door middel van dezelfde nieuwspapieren, in welke de openbare oproepingen zijn geplaatst geweest. Indien de afwezige, na de verklaring van vermoedelijk overlijden, terugkeert, of er bewijs inkomt dat hij in leven is, zijn zij, welke vruchten en inkomsten van zijn goederen hebben getrokken, verplicht dezelve terug te geven, op door de rechtbank te regelen wijze.