Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Tuccia

betekenis & definitie

Tuccia was rond 230 v.C. een van de Vestalinnen, de hooggeschatte, tot maagdelijkheid verplichte priesteressen van Vesta, de godin van de huiselijke haard. Volgens o.a. Livius en Plinius Maior werd zij verdacht van schending van het gebod tot maagdelijkheid, een gebod waarop de straf stond van levend begraven te worden. Ook haar voorname familie zou dan als onteerd gelden. Zij bewees haar onschuld door iets wonderbaarlijks: zij droeg in een zeef water dat niet doorliep.

Het verhaal van Tuccia heeft trekken gemeen met dat van Claudia Quinta. Tuccia wordt al door Augustinus geprezen en samen met Claudia Quinta genoemd in het 15e-eeuwse Defensorium inviolatae virginitatis beatae Mariae van de dominicaan Franz von Retz, waarin wordt verdedigd dat Maria als maagd het leven schonk aan Jezus. Als voorbeeld van hetgeen een maagd met de hulp van God vermag, is zij net als Claudia een heidens tegenbeeld van de maagd Maria. Ook in de Trionfo della castità 1352 van Petrarca neemt zij een belangrijke plaats in.

Zij is in de beeldende kunst van de oudheid aanwezig in de vorm van gesneden stenen voor ringen. In die van de nieuwe tijd vindt men haar op Florentijnse 15e- en 16e-eeuwse cassoni (bruidskisten), voorts op Filaretes bronzen deur van de Sint-Pieter te Rome ca. 1440 (Cloelia). Uit de schilderkunst zijn te noemen werken van o.a. Mantegna ca. 1500 (met als pendant Sopho-niba), Riccio ca. 1525 (met als pendant Claudia), Tintoretto ca. 1545 en een fresco van Caliari ca, 1575 in het Palazzo Mocenigo te Venetië. Een anoniem portret van Elizabeth i van Engeland, nu in Siena, verbeeldt de castitas. Een bescheiden Tuccia-traditie loopt door tot in de schilderkunst van de 18e eeuw, met o.a. Conca 1751, Suvée 1777 en Reynolds ca. 1760.