Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Quintus fabius maximus Verrucosus Cunctator

betekenis & definitie

Quintus fabius maximus Verrucosus Cunctator (ca. 285-203) was een telg uit het roem-ruchte geslacht van de Fabii. Hij maakte deel uit van de delegatie, die in 218 de Carthagers voor de keuze tussen oorlog en vrede stelde. Hannibal rukte daarop Italië binnen. Nadat de Romeinen onder de ongeduldige Gaius Flaminius bij het Trasimeense meer een zware nederlaag hadden geleden, werd Fabius Maximus aangewezen als dictator. Hij toonde zich ondanks het ongeduldige gemor in brede kring hardnekkig in het mijden van een beslissende confrontatie met de Carthagers en voerde slechts beperkte defensieve operaties uit. Zijn aanvankelijk negatief bedoelde bijnaam Cunctator (‘draler’) gaat hierop terug. Hij gedoogde de plundertochten van Hannibal die, om Fabius in een kwaad daglicht te stellen en de oppositie tegen hem aan te wakkeren, uitgerekend diens landerijen spaarde. Fabius’ rechterhand Minucius Rufus maakte zich populair door tegen diens instructies in schermutselingen met Hannibal uit te lokken en daarbij enig succes te boeken, zodat hij aan Fabius zelfs werd opgedrongen als codictator. Toen Minucius in een hinderlaag was gelopen en daaruit door Fabius moest worden gered, bekende hij publiekelijk zijn ongelijk.

Nadat Fabius de dictatuur had neergelegd was het de consul Terentius Varro die zich te onstuimig toonde en bij Cannae tegen Hannibal een rampzalige nederlaag leed, waardoor voor de Carthager de weg naar Rome openlag. In hun paniek deden de Romeinen opnieuw een beroep op Fabius. De twee veldheren toonden zich wederom in listigheid aan elkaar gewaagd. Zo kon Hannibal zich uit een netelige situatie redden door tweeduizend ossen fakkels op de rug te binden en ze naar de Romeinen te jagen. Fabius van zijn kant heroverde Tarente door gebruik te maken van een liefdesverhouding tussen de commandant van de Cartha-gers ter plaatse en een Tarentijns meisje: haar broer namelijk, soldaat in het Romeinse leger, kwam via haar te weten hoe de stad kon worden ingenomen. In een andere liefdesaffaire toonde Fabius zich vergevensgezind om zo de enigszins opstandige bondgenoten voor zich te winnen: het betrof nu een soldaat uit Lucanië, die regelmatig het Romeinse legerkamp verliet om zijn geliefde op te zoeken.

Fabius was altijd trouw aan zijn gegeven woord. Toen de Senaat, ontevreden over zijn tactiek, een overeenkomst tussen Fabius en Hannibal over het vrijkopen van soldaten niet wilde goedkeuren, bracht de Romein het toegezegde bedrag zelf op door privégoederen te verkopen.

In zijn nadagen tekende Fabius fel protest aan tegen de zijns inziens vermetele plannen om de jonge Scipio Maior te belasten met de strijd in Afrika tegen de daarheen teruggekeerde Hannibal. De grote triomfen van Scipio maakte hij niet meer mee.

Over de verrichtingen van Fabius tegenover Hannibal verschaft Polybios de zakelijke gegevens, die in opgesmukte vorm worden verhaald door Livius en Ploutarchos. Laatstgenoemde paart zijn Fabius-biografie aan die van Perikles, die in de Peloponnesische oorlog eveneens de voorkeur gaf aan defensieve en op vertraging gerichte tactieken. Alle schrijvers benadrukken de sapientia en prudentia van Fabius evenals zijn constantia, daar hij immers vasthield aan de eenmaal gekozen beleidslijn. Ennius vat die gave samen in de vaak in antieke teksten geciteerde regel: ‘Unus homo nobis cunctando restituit rem’ (Eén man heeft ons de staat teruggegeven door te dralen).

Ook zijn strikte naleving van de religieuze voorschriften en zijn respectvolle bejegening van gezagsdragers worden geprezen. Livius, Ploutarchos en Gellius beschrijven hoe de bejaarde Fabius zich verontwaardigd toont als de lictoren die zijn zoon, dan consul, begeleiden, ervan afzien hem, de vader van de consul, bevel te geven van zijn paard te stijgen ten teken van eerbied voor de na-derende gezagsdrager. Fabius, stokstijf te paard, dwingt zijn zoon hem dit bevel zelf te geven, waar-aan hij vervolgens onmiddellijk gehoor geeft. Valerius Maximus schrijft dit optreden toe aan een andere Fabius, Quintus Fabius Maximus Rullianus.

In de middeleeuwen wordt de genoemde trouw aan het gegeven woord soms – bijvoorbeeld door Vincent van Beauvais en in de Gesta Romanorum – geprezen als een christelijke deugd. Later wordt Fabius Maximus vanwege zijn tactiek tegenover Hannibal opgevoerd als toonbeeld van prudentia. Petrarca prijst hem om die eigenschap in het aan hem gewijde hoofdstuk van De viris illustribus 1337 en Fabius maakte dan ook deel uit van de door Petrarca geïnspireerde cyclus in Padua. In de Anticappella te Siena, gedecoreerd begin 15e eeuw, is hij samengebracht met een ander die geduld kon oefenen: L.I. Brutus. In de door Perugino gedecoreerde Cambio ca. 1500 te Perugia is hij samen met Sokrates en Numa Pompilius afgebeeld als representant van de prudentia. Pietro da Cortona neemt hem, in de grote plafonddecoratie 1633-39 in het Palazzo Barberini te Rome, in een grisaille in een van de hoeken op als personificatie van de prudentia. Naar een uiteenzetting van Cicero in De inventione zijn in de drie andere hoeken de personifica-ties van de andere kardinale deugden te vinden: Scaevola (fortitudo, dapperheid), Manlius Torquatus (iustitia, gerechtigheid) en Scipio Maior (continentia, zelfbeheersing). Zeven scènes uit het leven van Fabius Maximus zijn rond 1538 door Daniele da Volterra geschilderd in het Palazzo Massimo alle Colonne in Rome voor de familie Massimo, die pretendeerde af te stammen van Fabius Maximus. Francesco da Siena volgde Ploutarchos’ biografie in zijn acht fresco’s voor abt Fabius Colonna in het Palazzo Abbaziale te Grottaferrata, voltooid 1547, met onder meer de loyaliteit jegens Hannibal en het eerbewijs aan de zoon. In een plafondschildering te Landshut plaatste Bocksberger de Oudere hem ca. 1512 naast de beide Cato’s. Tiepolo schilderde tussen 1725 en 1730 het optreden van Fabius als gedelegeerde te Carthago in een reeks scènes uit de Romeinse geschiedenis die het Palazzo Dolfin in Venetië gedecoreerd hebben. De verzoening van Minucius en Fabius Maximus is behalve door Volterra in de genoemde reeks ook afgebeeld door Rubens in een olieverfschets ca. 1622 (Museum Boijmans Van Beuningen Rotterdam).

Tijdens de bevrijdingsfeesten in 1648 na de Tachtigjarige Oorlog werden op de Dam de Oranje-vorsten voorgesteld als Romeinse personages: Maurits, gever van de juiste religie, als Numa Pompilius, Frederik Hendrik die de Spanjaarden versloeg als Fabius Maximus en de vredestichter Willem ii als Augustus.

Een heel eigen interpretatie van de confrontatie met de zoon-consul, waarbij het accent valt op het optreden van de zoon, is te vinden in de burgemeesterskamer van het Stadhuis (nu Paleis) op de Dam. De moraal van het schoorsteenstuk van Lievens 1656 is neergelegd in de eronder aangebrachte dichtregels van Vondel: ‘De Zoon van Fabius gebiet zijn’ eigen Vader / Van ’t paert te stijgen, voor Stadts eere en achtbaerheit, / Die kent geen bloet, en eischt dat hy eerbiedigh nader’. / Dus eert een man den Staet in ’t ampt, hem opgeleit.’ Het stuk verving een doek van Rembrandt dat na enkele jaren was verwijderd; het ging in 1945 in Belgrado verloren.

In de opleving van de belangstelling voor helden uit de oudheid in de decennia rond 1800 past het dat de enige geregistreerde opera’s rond Fabius Maximus uit die tijd stammen: Le Froid de Méraux 1793, Rossi 1802 en Nicolini 1819.