Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Hannibal

betekenis & definitie

Hannibal (246-183), zoon van de Carthaagse legeraanvoerder Hamilkar, werd grootgebracht in het legerkamp van zijn vader en zwoer op jeugdige leeftijd een eeuwige vijandschap jegens de Romeinen. Na Hamilkars dood werd hij aanvoerder van de Carthaagse ruiterij in Spanje onder opperbevel van zijn zwager Hasdrubal, om na diens overlijden op 25-jarige leeftijd te worden gekozen als de nieuwe opperbevelhebber. In Spanje versterkte hij de positie van Carthago en veroverde hij ten slotte de aan Rome toebehorende stad Saguntum, welke daad de aanleiding vormde voor de Tweede Punische oorlog. Hannibal legde het bevel in Spanje in handen van zijn broer, die ook Hasdrubal heette, en verraste de Romeinen door met een grote schare voetvolk, ruiterij en olifanten over de Alpen Italië binnen te vallen. In de buurt van Pavia versloeg hij de Romeinse troepen onder Publius Cornelius Scipio, de vader van Scipio Maior. Een tweede zware nederlaag bracht hij de Romeinen toe bij het Trasimeense meer. Fabius Maximus, in deze noodsituatie tot dictator benoemd, ging een beslissende confrontatie uit de weg, maar later kwam het tot een grote slag bij Cannae, waar de Romeinen opnieuw werden verslagen. De weg naar Rome lag nu open voor Hannibal. De paniek in de stad gaf aanleiding tot de angstkreet ‘Hannibal ad portas’ (Hannibal voor de poorten). Toch gaf hij er de voorkeur aan de stad niet te belegeren en hij trok naar Zuid-Italië om zich vanuit Capua meester te maken van onder meer Tarente. Later rukte hij op tot nabij Rome, tot grote paniek van de inwoners, maar hij zag af van een beslissende aanval. Hij verbond zich met Syracuse en met de Macedonische heerser Philippos v. De oorlog sleepte zich jarenlang voort en kwam niet tot een einde. Zijn broer Hasdrubal, die zijn troepen met die van Hannibal wilde verenigen, werd in het noorden van Italië verslagen. Als gruwelijk waarschuwingsteken werd zijn hoofd over de wal van het kamp van Hannibal geworpen. Philippos werd gehinderd door een pact tussen Rome en Aetolië. Tarente werd door de Romeinen heroverd, Capua belegerd. Toen de Senaat besliste dat de Romeinen de confrontatie met Carthago in Afrika zelf moesten aangaan en Scipio Maior naar Spanje zond om van daaruit naar Carthago over te steken, werd Hannibal door de Carthagers teruggeroepen.

Scipio en zijn grote tegenstander hadden een ontmoeting in Afrika – een ‘woordelijk’ verslag wordt gegeven door Livius en Polybios – maar konden niet anders dan tot een gewapend treffen besluiten. In 202 werd Hannibal bij Zama vernietigend verslagen en Carthago kreeg harde vredesvoorwaarden opgelegd.

Hannibal, die zich nimmer had mogen verheu-gen in de sympathie van de Carthaagse aristocraten en ook nu in de steek werd gelaten, zocht zijn toevlucht bij de Syrische koning Antiochos iii. Als diens vlootvoogd had hij wisselend succes. Na de nederlaag in een zeeslag met de Rhodiërs werd hij bedreigd met uitlevering aan de Romeinen en vluchtte hij naar koning Prusias van Bithynië. Opnieuw bedreigd met uitlevering benam hij zich in 183 met gif het leven.

Voor alle klassieke schrijvers is Hannibal in de eerste plaats de onverzoenlijke vijand van Rome, zij het een geniale. Livius, Appianos, Ploutarchos in zijn Fabius-Maximus-biografie, Polybios en Silius Italicus geven vele staaltjes van het meester-schap van Hannibal op het slagveld, in de guerrilla-tactieken en in het taxeren van de zwakheden van zijn tegenstander. Livius portretteert hem: hij wordt door zijn soldaten op handen gedragen, is gehard, intelligent en wreed, en heeft geen respect voor de goden. De oversteek van de met verse sneeuw bedekte Alpen, in bar noodweer en onder aanvallen van de vijandige bergbewoners, wekt alom verbazing en bewondering, al relativeert Polybios, die de ons onbekende route heeft nagereisd, de ongelooflijke prestatie met de opmerking dat Hannibal te intelligent was om te grote risico’s aan te gaan. Dat hij tot veler verbazing na Cannae de beslissende aanval op de stad Rome achterwege liet, geeft de Romeinse auteurs, die beseffen dat de stad bij zo’n aanval zou zijn gevallen, aanleiding tot de karakterisering dat Hannibal beter was in het bevechten dan in het uitbuiten van een militair overwicht. De bewonde-ring voor het militaire kunnen overheerst echter. Nepos onderstreept in zijn Hannibal-biografie dat de Carthager in zijn Italische jaren nimmer een nederlaag leed in een reguliere veldslag. Loukianos geeft in een van zijn Dodengesprekken een dispuut tussen Alexander, Hannibal en Scipio over de vraag wie van hen de beste veldheer was. Deze in de vorm van een gesprek gegoten vergelij-king vindt navolging tot in de nieuwe tijd, bijvoor-beeld in de Dodengesprekken van Fénelon 1712.

Hannibal wordt ondanks zijn harde karakter toch steeds als respectabel opgevoerd. Valerius Maximus prijst zijn humanitas, omdat hij gevallen vijanden als de veldheer Marcellus een behoorlijke begrafenis geeft. Anderzijds menen de auteurs dat Hannibal met zijn oorlog tegen het machtige Rome te hoog heeft gegrepen en dat deze superbia hem op een neergang en een tragisch levenseinde is komen te staan. Deze gedachte wordt bijvoorbeeld uitgedrukt door Iuvenalis in zijn tiende Satire, waarin overigens elke al te grote inspanning of elk al te lang leven als zinloos wordt beschouwd: ook Xerxes, Caesar en Alexander kwamen op een ongewenste wijze aan hun einde en het lachen van Demokritos lijkt dan ook de enige juiste beslissing.

Hannibals levenseinde staat centraal in toneel-stukken uit de 17e, 18e en 19e eeuw, zij het dat het verhaal hier veelal wordt opgesmukt met een liefdesaffaire aan het hof van Prusias: Thomas Corneille 1669, Marivaux 1720, Trenta 1766, Scevola 1805 en Didot 1820. Meer gevoel voor de tragiek van de door Carthago aan zijn lot over-gelaten en in kommer levende Hannibal toont Grabbe in zijn tragedie 1835, die Brecht 1922 inspireerde tot een onvoltooid gebleven stuk. Veel succes oogstte De nederlaag van Hannibal van Bouckart 1653, waarin van Hannibals leven de jaren vanaf de slag bij Zama beschreven worden. Grillparzer schetst in een toneelscène 1835 de ontmoeting tussen de enige grote veldheer waarover Carthago beschikt, en Scipio als vertegenwoordiger van een macht die nog vele Scipio’s zou kunnen voortbrengen. Nichol 1873 en Clark 1908 benadrukken het imperialisme van Hannibal als voorbeeld voor Engeland, dat evenzeer een zeemacht is.

In de opera situeert de librettist de handeling meestal in Capua, waar Hannibal zijn militaire overwicht verliest en de dood van Hasdrubal verneemt. Zo zijn er opera’s van Porpora 1731, Paisiello/Durandi 1773 en Salieri/Sografi 1801. Hannibals onmacht om, ruw veldheer als hij is, een liefdesrelatie tot een goed einde te brengen, levert stof voor komische bewerkingen, zoals een operette van Schmidt/Weller 1887. Hij figureert ten slotte in toneelstukken rond Sophoniba.

In de filmgeschiedenis treedt hij enkele malen naar voren, bijvoorbeeld in een film van Ulmer 1960 waarin ons de held op zijn retour wordt getoond, ten prooi aan neerslachtigheid. Al in 1914, in Cabiria (Sophoniba), waagde Pastrone zich aan de verfilming van spectaculaire scènes als de oversteek van de Alpen.

Hannibal ontbreekt in historische voorstellingen in de oudheid, maar is in de beeldende kunst van de nieuwe tijd vaak aanwezig. Dat geldt uiteraard voor cycli die de Tweede Punische oorlog tot onderwerp hebben, bijvoorbeeld van Ripanda ca. 1508-13 in het Palazzo dei Conservatori te Rome en in een serie van twaalf reliëfs van Persico en anderen tussen 1786 en 1789 in het koninklijk paleis te Caserta, bedoeld om een relatie te leggen tussen de Romeinse geschiedenis en de in Napels regerende Bourbons. Ambrosius Holbein en Thomas Schmid brachten in de Festsaal van het klooster Sankt Georgen in Stein-am-Rhein in Zwitserland ca. 1515 een frescoreeks aan, waarin de daden van Hannibal staan tegenover die van Scipio, bijvoorbeeld de verovering van Saguntum tegenover die van Carthago. Naar de uitvoerige beschrijving bij Silius Italicus is meermalen afgebeeld hoe de jeugdige Hannibal eeuwige vijandschap jegens de Romeinen zweert. Dit blijk van patriottische zelfopoffering is te vinden bij o.a. Schönfeld (enige malen ca. 1660-70), Pittoni enige malen ca. 1723, Pellegrini rond 1750 in de Kaiserzimmer van de Residenz te Würzburg, Verhaghen 1788 (Kon. Musea voor Schone Kunsten Brussel) en Scheffer 1808 (Dordrechts Museum). West schilderde dit tafereel in 1770 voor de Engelse koning George iii, mogelijk om tot uitdrukking te brengen dat deze zich als Prince of Wales had voorgenomen af te rekenen met de vijanden van zijn vader. Tiepolo schilderde 1728-30 hoe Hannibal geconfronteerd wordt met het in zijn kamp geworpen hoofd van Hasdrubal, voor het Palazzo Dolfin te Venetië (het stuk bevindt zich in het Kunsthistorisches Museum te Wenen). Lagrenée toonde op de Salon van 1781 een begrafenis van Marcellus. David verwijst, in zijn ruiterportret 1801-02 van Napoleon op de Grote Sint-Bernhardpas, met een steen waarop de naam van Hannibal nog juist zichtbaar is, naar deze eerdere bedwinger van de Alpen en van Italië. Hannibals tocht over de Alpen geeft Turner in 1812 gelegenheid tot een schildering van natuurgeweld.

Eerdere opera’s, van Italiaanse makelij, heb-ben betrekking op de lotgevallen van Hannibal in Italië, waar hij het militaire overwicht verliest en de dood van Hasdrubal verneemt: van Giaco-melli/Vanstryp 1731 en Paisiello/Durandi 1792 tot Nicolini/Prividali 1821 en Ricci 1830. Carthago als geheimzinnig land ten tijde van Hamilkar is op bijzondere wijze geëvoceerd in Salammbô 1862 van Flaubert, een boek dat van de geleerde critici het verwijt kreeg dat het al te fantastisch was. Moussorgsky schreef tussen 1863 en 1866 een niet-voltooide opera op een eigen libretto met deze stof. Een opera van Flauberts vriend Reyer uit 1890 genoot een zeker succes in Brussel en Parijs.