Ringelmann-effect wat is de definitie & betekenis

Het Ringelmann-effect is de neiging die individuele leden van een groep hebben, om steeds minder productief te worden naarmate het aantal leden van de groep toeneemt. Het effect werd voor het eerst wetenschappelijk bewezen in de 19e eeuw door middel van een experiment van de Fransman Max Ringelmann.

Tijdens het experiment van Ringelmann liet hij twintig studenten van de landbouwkundige school eerst alleen en later in groepen aan een touw van vijf meter lang trekken. Het andere uiteinde van de touw leidde naar een dynamometer, een instrument dat kracht meet (Newton).

Nadat de resultaten vergeleken waren bleek dat als twee personen gezamenlijk aan het trouw trokken, een ieder slechts 93% van de prestatie leverde ten opzichte van de eerdere individuele meting. Bij drie personen was dit nog maar 85%, bij vier personen nog maar 77% en uiteindelijk bij een groep van acht mensen leverde een ieder nog maar slechts 50% van hun maximale (individuele) prestatie.

Wetenschappers verklaren dit effect doordat de uitwerking van de individuele inzet bij een gezamenlijke krachtinspanning minder sterk is. Hierdoor is de motivatie om bij te dragen kleiner. Ook is de individuele bijdrage niet te onderscheiden, wat weer leidt tot meeliften op de prestaties van een ander.

Ringelmann had ook nog een eventuele andere verklaring voor dit effect: de synchronisatie van bewegingen is in een groep minder groot, waardoor de prestatie minder was als niet iedereen tegelijk (wat bij het individuele touwtrekken wel het geval is) aan het touw trok. Deze verklaring is in de jaren '70 van de vorige eeuw echter ontkracht door Alan C. Ingham, die touwtrekkers liet doen alsof ze in een groep meetrokken maar dit niet daadwerkelijk deden. Er was telkens één persoon die wel alles gaf. Toch nam de prestatie af naarmate het vermeende aantal deelnemers toenam.