taddik, toddik betekenis & definitie

(Amsterdam) vuil, smerig persoon; in het bijzonder: vuil, smerig wijf. Afgeleid van tadde of todde (vod, lor, lap). Het WNT citeert Karsten maar het komt al eerder voor (in de Nieuwe Rotterdamsche Courant, 02/06/1929: Taal-antiquiteiten en -rariteiten van Oost-Flakkee). Minder frequent is taddek. Het woord werd ook teruggevonden in een volksroman uit 1955 (G.P. Smis, Het nieuwe Spionnetje: Onder de schaduw van de Westertoren: Roman uit de Jordaan).

Terwijl ik de treeplank afstapte, zei de conducteur met komiekerige bezorgdheid: Pas op het afstapje, hoor! De dikke tadikken op het balkon gierden het uit. (Sjoerd de Vries in Vandaag, 1961)

Redelijk gesproken kan een man niet verliefd worden op een machine. Zeker niet op een lelijke, gedrongen toddik met een stierenek. (Jan de Hartog, De Commodore, 1987)

... aangewitte toddik dat je d’r bent... (René Stoute, Het grimmig genieten, 1991)

Laatst bijgewerkt 16-05-2017