Nagelaar betekenis & definitie

(Bargoens) iemand die oneerlijk speelt; valsaard.

In eerste instantie iemand die nagelt bij het knikkeren, d.i. de knikker met de nagel van de duim voortschieten, hetgeen een bewijs is van onbedrevenheid.

Een voorbeeld daarvan vinden we terug in de ‘Camera Obscura’ (uit 1883) van Nicolaas Beets: ‘Een nagelaar is hij: wat kan de maatschappij goeds of edels verwachten van een nagelaar?’ Het scheldwoord vinden we o.a. terug bij Van Bolhuis en Bos.

En zeggen zelfs de mama’s, niet zonder zeker verborgen genot, tegen hun zoontje: ‘Je lijkt wel een straatjongen,’ heimelijk blij, dat het zoontje geen akelig jongeheertje wordt, geen nagelaar, geen betweter, geen brave-Hendrik. (De Groene Amsterdammer, 02/12/1900)

Laatst bijgewerkt 06-06-2017