gannef betekenis & definitie

(Bargoens) dief; schelm; bedrieger. Ook wel: ganf. Verzachtend ook van kinderen gezegd. Sedert ca. 1769 (Moormann). Van het Jiddische woord ganneiw, dat teruggat op het Hebreeuws: gannabh. Er bestaat ook een werkwoord gannefen, stelen, bedriegen.

De gannef heeft in onze dagen even veel stem als een Jezus. (Willem Paap, De studie van het Romeinsche Recht. In: De Nieuwe Gids, 01/10/1885)

... gassers, miesgassers, patsers en gannefs. (Justus van Maurik, Toen ik nog jong was, 1901)

Ontdekken zijn kameraden het bedrog, dan heeft de gannef ’m al lang gedrost, gepoetst, opgesmeerd (met de spons van Blanus). (De Groene Amsterdammer, 02/08/1914)