adoot betekenis & definitie

(straatjeugd, begin twintigste eeuw) straatagent. Syn.: bout,jato, juut, kip, klabak, smeris.

Elke stad heeft zijn bij- of scheldnamen voor den politieman: de ‘klabak’, de ‘diender’, de ‘smeris’, de ‘adoot’; en alle afdeelingen van het corps worden in deze benamingen verwerkt, zodat we den bereeden agent wel ‘knol-smeris’ hebben hooren noemen. De ‘tuf-adoot’ was de laatste vondst voor den agent, die op motorfiets of in een kleine two-seater zijn dienst doet. (Nieuwe Rotterdamsche Courant, 06/12/1927)

Klerken, schrijvers, stille dienders en straatadoten hingen over de vensterbanken. (Willem van Iependaal, Lord Zeepsop, 1937)