addergebroed betekenis & definitie

gemeen volk; gespuis. Betekent eigenlijk ‘(nest) jonge adders’. Het woord werd ontleend aan de Bijbel (naar Lucas 3:7). Johannes de Doper zou het volk dat naar hem kwam om gedoopt te worden, aangesproken hebben als adderengebroed(sels). Zie ook: gebroed.

Zulk eene aanspraak was niet ongepast voor dat Addergebroedzel, waar tegen Joannes de Doper sprak... (Betje Wolff en Aagje Deken, Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart, 1782)

Ik wil dat je vecht, vecht, vècht! In Normandië, bij Caen. Dat je dat adderengebroed in zee jaagt, dat je het laat verzuipen. (K. Norel, Vliegers in het vuur, 1963)