Passaat betekenis & definitie

Windsysteem dat samenhangt met de algemene luchtcirculatie op de wereldbol. Passaten zijn plaatsgebonden en daardoor te beschouwen als lokale winden.

Het woord `passaat' is afgeleid van het Spaanse woord `pasar' en stamt uit de tijd van de handelsvaart met zeilschepen op Amerika. Met de pasar werd een gunstige wind tijdens de overtocht bedoeld. In het Engels sprak men van `trade winds', ofwel `handelswinden', waarmee in feite hetzelfde werd bedoeld. De passaten zijn in het algemeen warme en droge winden, die zorgen voor een wolkenloze hemel. Ze zijn vooral merkbaar tijdens het droge en frisse winterseizoen. Dat wil zeggen op het zuidelijk halfrond van mei t/m oktober en van november t/m april op de noordelijke hemisfeer.
Aan de evenaar wordt de atmosfeer het sterkst verwarmd. Warme lucht is lichter dan koude lucht. Die lucht in de buurt van de evenaar vertoont dus een continue stijgende beweging, waardoor er een voortdurende lage luchtdruk heerst. Deze zone wordt wel de `doldrum' of `equatoriale stiltegordel' genoemd. Daar tegenover bevindt zich, ruwweg tussen 25 en 30° NB en ZB, de subtropische hogedrukgordel. Vanuit deze hogedrukgordels stroomt de lucht langs het aardoppervlak opvallend regelmatig naar de lage luchtdruk en dus naar de evenaar toe. Onder invloed van de Coriolis-kracht buigt de luchtstroming op het noordelijk halfrond naar rechts en op het zuidelijk halfrond naar links af, zowel onder als boven de evenaar dus in westelijke richting. Op die manier ontstaan dan de zeer persistente noordoost- en zuidoostpassaatwinden, die het gehele jaar door uit dezelfde richting waaien. De twee passaatwinden convergeren naar het equatoriale lagedrukgebied. Deze zone, de intertropische convergentiezone (ITCZ), wordt gekenmerkt door een hardnekkige bewolking en een veelvuldige neerslag.