Getto betekenis & definitie

Getto was de benaming voor wijken waar joden moesten wonen. Paus Alexander III nam op het Derde Lateraans Concilie van 1179 in Rome de beslissing dat joden niet samen mochten wonen met christenen.

De Heilige Johannes Chrysostomus was ervan overtuigd dat de joden van alle tijden, dus ook de toekomstige generaties joden, schuldig zijn aan de dood van Jezus. Hiervoor verwees hij naar het evangelie van Lucas: ‘Kruisig Hem, kruisig Hem!’ (23:21) en van Mattheus: ‘Zijn bloed kome over ons, en over onze kinderen’ (27:25). Het eerste getto werd opgericht in Venetië in 1516 waar joden zich moesten vestigen, alhoewel de segregatie van de joden al begon in de 11de eeuw. Vanaf de zestiende eeuw werden er hekken rond gebouwd en werd het ’s nachts afgesloten.

De haat tegen de joden kwam tot een hoogtepunt in de zestiende eeuw, toen paus Paulus iv (1555­-1559) in 1555 zijn bul Cum nimis absurdum afkondigde (Aangezien het al te absurd is), waarin hij bepaalde dat alle joden in de steden van de Kerkelijke Staat een gele hoed moesten dragen, naar getto’s moesten worden verbannen en daarin opgesloten. Zo moesten alle joden vanaf 1556 in een ommuurd deel van Rome wonen. ‘Het is absoluut absurd dat de joden, die door hun eigen schuld door God veroordeeld zijn tot eeuwigdurende slavernij, zouden kunnen beweren dat zij de gelijken zijn der christenen,’ aldus Pius iv. Paus Pius v (1566­-1572), die voordien als inquisiteur in Noord Italië actief was, ging nog een stap verder en verkondigde in zijn bul Hebraeorum gens sola (Alleen het volk der joden) van 1569 dat alle joden uit de steden en dorpen van de Pauselijke Staat verwijderd moesten worden.

Laatst bijgewerkt 15-02-2017