Oosthoek encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Gepubliceerd op 17-01-2019

Statistiek

betekenis & definitie

Statistiek - Hieronder verstaat men, tegenwoordig althans, een in cijfers uitgedrukte boekhouding van voor wetenschap, administratie en praktijk belangrijke, voor massale waarneming vatbare verschijnselen. — Reeds in de Oudheid werden sporen van een dergelijke boekhouding gevonden. Van overheidswege werden verschillende gegevens veelal met fiscale of militaire oogmerken verzameld. In China, Egypte en bij de Joden hadden geregeld volkstellingen plaats. Rome bezat reeds een vrij ontwikkelde, officieele statistiek (zie CENSUS). — Na de Middeleeuwen verschijnen uitvoerige, statistische beschrijvingen van Sansovino, Münster en Botero en vooral in de sedert 1626 te Leiden uitgegeven „Respublicae Elsevirianae”.

In Frankrijk trachtte Sully na 1663 de berichten van de intendanten van de belastingen voor ambtelijke doeleinden te benutten. In Duitschland verrijkte Hermann Conring in 1660 de universiteitscolleges met een nieuw vak, aangeduid als „notitia rerum publicarum”, samenvattende aardrijkskunde, geschiedenis en staatkunde. Achenwall (1719—1772) noemde s. de kennis der merkwaardigheden, welke de verschillende staten kenmerken. Zijn leerling Schlözer (1735—1809) noemt s. stillstehende Geschichte, Geschichte fortlaufende St. — Tegenwoordig verstaat men onder st. niet meer, als deze geleerden, breedvoerige toestandsbeschrijvingen, maar, zooals wij zeiden, meer bepaald de weergeving der bestaande toestanden in cijfers en tabellen, al of niet verduidelijkt door grafische voorstellingen. Ter onderscheiding van de meer beschrijvende statistiek wordt deze st. in den tegenw. zin veelal als lineaire of tabellarische st. aangeduid. Deze werd reeds in de 17de eeuw, vooral in Engeland, in toepassing gebracht. John Graunt wees in 1662 op deze wijze aan de hand der kerkelijke registers op zekere regelmatigheid in huwelijks-, geboorte- en sterftecijfers; de astronoom Halley stelde in 1693 de eerste bruikbare sterftetafel samen. Het opkomende verzekeringswezen gaf aan dergelijke berekeningen bijzondere beteekenis.

In Duitschland werd deze nieuwe werkwijze vooral door Süszmilch (1707—1767) voorgestaan. Een belangrijke uitbreiding werd aan het gebied der st. gegeven door Quételet (1796—1874), die regelmatigheid aantoonde bij tal van feiten, waarbij men die niet zou veronderstellen, zooals bij de van den menschelijken wil afhankelijke handelingen. — Ook de overheid ging het belang van st. gegevens inzien. Reeds in 1756 werd in Zweden aan een commissie de jaarlijksche bewerking der bevolkingscijfers opgedragen. In Frankrijk werd in 1796 een officieel st. bureau opgericht, dat wel slechts kort bestond, maar in 1800 door een blijvend werd gevolgd. De meeste andere landen volgden dit voorbeeld. — Te onzent werd in 1825 bij de Hoofdadministratie der dir. bel., in- en uitg. rechten en accijnzen aan het Dep. van Fin. een Centraal Bureau opgericht, uitsluitend bestemd tot het samenstellen van staten van in-, uit- en doorvoer. Bij een K. B. van hetzelfde jaar werd R. Lobatto, adj. commies aan het dep. van Binn. Zaken, op zijn verzoek belast met het samenstellen van een voor ’s lands rekening uit te geven st. jaarboekje. In het volgende jaar werd aan het Dep. v. Binn.

Zaken een st. bureau gevestigd. Tevens werden prov. commissiën voor de st. ingesteld. Zoowel deze commissies als het bureau schijnen na 1830 weder te zijn verdwenen. — In 1848 werd aan het Dep. van Binn. Zaken opnieuw een st. bureau ingesteld, dat in 1851 de uitgave van het jaarboekje van Lobatto overnam. Sinds 1857, toen dit bureau tot een zelfstandige afdeeling van het dep. werd uitgebreid, werd het als St. Jaarboek in grooter formaat uitgegeven (in 1868 verscheen het voor het laatst). Bij K. B. van 5 Nov. 1858, Stb. 75 en 76, werd een Rijkscommissie voor de St. ingesteld, benevens een st. bureau aan iedere prov. griffie verbonden. De commissie werd echter reeds in 1861 ontbonden, terwijl bedoelde bureaux gaandeweg in de gewone prov. administratie zijn opgelost. — In 1878 werd de afd.

St. van het Dep. van Binn. Zaken opgeheven, zoodat voortaan alle centrale leiding in de verzameling van st. gegevens ontbrak. — Inmiddels werden sinds 1849 ook van particuliere zijde, onder leiding van Jhr. Mr. J. De Bosch Kemper, st. gegevens gepubliceerd in een Staatkundig en Staathuishoudkundig Jaarboekje, in 1856 bij de oprichting van de Vereeniging voor de St. door deze voortgezet (in verband met een uitbreiding van haar arbeidsveld heet deze ver. sinds 1892 Ver. voor de Staathuishoudkunde en de St.). In 1884 werd tevens door genoemde vereeniging te Amsterdam gevestigd een St. Instituut, hetwelk bleef bestaan tot in 1892, toen bij K. B. van 6 Oct., Stb. 232, een Centrale Commissie voor de St. werd ingesteld, wier taak bestond zoowel in adviseeren als in het zelf verzamelen van st. gegevens. In 1899 werd zij van de laatste taak ontheven (K. B. van 9 Jan., Stb. 43), welke werd overgebracht naar een afzonderlijk lichaam, het Centraal Bureau voor de st. te ’s-Gravenhage. Behalve tal van publicaties, bijzondere onderwerpen betreffende, bewerkt dit bureau geregeld Jaarcijfers, waarin het voornaamste uit de verschillende hier te lande verschijnende statistieken wordt samengevat.

Ook geeft het bureau een Maandschrift uit. — Vermelding verdienen nog de intern, st. congressen, die sinds 1853 geregeld werden gehouden en die in 1885 leidden tot de oprichting van een Intern. Instituut voor st., dat een „Bulletin de l’Institut intern, de st.” uitgeeft en iedere 2 jaren samenkomsten houdt. Litt.: Prof. Dr. C. A. Verrijn Stuart, Inleiding tot de beoefening der st.; Geschiedenis van de St. in het Koninkrijk der Nederlanden, uitgegeven door het Centr. Bur. v. d. St. (1902). Zie ook HANDELSSTATISTIEK.

< >