Palts, - 1) in den Merovingischen en Karolingischen tijd naam van de hoeve, die aan den vorst behoorde en waar hij een tijdlang verblijf hield;
2) in de latere Midd. naam van den burcht, die aan den keizer behoorde, waar een troepenmacht gelegerd was en welke diende tot tijdelijke residentie. De vorst trok van palts naar palts;
3) naam voor den raad, die zich om den vorst vormde en waarvan de paltsgraaf de voornaamste persoon werd. (Zie PALTSGRAAF). Litt.: Weitzel, Die deutschen Kaiserpfalzen und Königshöfe vom 8en bis 16en Jahrhundert.